Interessante verwarring over "Maastricht'

DEN HAAG, 5 NOV. Wat gebeurt er als het parlement in 1996 of 1998 de Nederlandse gulden niet wil doen opgaan in een Europese munteenheid? Gaat dat dan inderdaad niet door? Dat was de kernvraag, waar Tweede Kamer en regering gisteravond en vannacht lange tijd mee worstelden. Als de Kamer het verdrag van Maastricht ratificeert - en dat is zeker - dan verplicht Nederland zich daarmee op 1 januari 1997 of uiterlijk op 1 januari 1999 toe te treden tot dit ene muntstelsel, tenzij het niet zou voldoen aan drie strenge criteria ten aanzien van inflatie, staatsschuld en begrotingstekort.

Op een andere wijze komt Nederland er niet meer onderuit. Op een strenge vraag van de SGP'er Van Dis, die verdere Europese integratie afwijst mede omdat hij in de EG “erkenning van God en het houden van Zijn geboden” mist, hoe het nu zou gaan als de Kamer er uiteindelijk tegen was, hief minister Kok de handen ten hemel. “Ik heb geen flauw idee.”

Zoveel werd duidelijk dat Nederland met de toetreding tot het verdrag van Maastricht de definitieve besluitvorming over de afschaffing van de gulden - mooier gezegd: toetreding tot de derde fase van de Economische en Monetaire Unie - overlaat aan de (gekwalificeerde) meerderheid van de EG-ministerraad en de EG-topconferentie. Daarin hebben de Nederlandse minister van financiën en de premier weliswaar een stem, maar dat is een geringe.

De Kamer kreeg gisteravond nadrukkelijk de toezegging dat “de Nederlandse regering in 1996 niet naar Brussel zal kunnen gaan met een standpunt over zichzelf en anderen zonder dit nadrukkelijk aan het Nederlandse parlement voor te leggen”. Minister Kok achtte het zelfs “ondenkbaar” dat de regering “naar Brussel afreist met een standpunt dat niet gebaseerd is op een duidelijke steun, instemming van het Nederlandse parlement”.

Per amendement op de zogenoemde Goedkeuringswet hadden CDA en PvdA ook aangegeven, dat de regering “vooraf de instemming van de Staten Generaal” diende te hebben verworven. Maar dat alles heeft geen betekenis, als Nederland te zijner tijd in de EG-raad wordt overstemd. Kok daarover: “ In dat geval komen wij niet terug met de boodschap: nu stappen wij uit het verdrag. Dan zijn wij overstemd.” Er was geen enkel Kamerlid - ook niet van de tegenstanders van ratificatie van "Maastricht' - dat voor verdragsbreuk in dat geval pleitte.

Als regering en Kamer het met elkaar óneens zijn, geldt hetzelfde: in alle gevallen kan de EG-ministerraad iets anders besluiten dan regering en/of Kamer wil. Waar gisteren een kleine loopgravenstrijd over werd gevoerd in de Kamer, was over het begrip "instemming' in het CDA/PvdA-amendement. Zowel Kok als Lubbers hadden daar wat problemen mee, omdat zij zich afvroegen wat dat staatsrechtelijk precies betekende. Per brief vroeg premier Lubbers de opvatting van Kamervoorzitter Deetman, waarin hij aangaf het begrip "instemming' “niet gelukkig/juist” te vinden. Dit kon namelijk betekenen dat er door de Kamer gestemd moest worden over de positie die de regering in de EG-ministerraad zou innemen. De premier gaf zelf de voorkeur aan een afspraak waarbij de regering de Kamer “gelegenheid zal geven van haar opvatting kennis te geven” of dat de regering “eerste gemeen overleg voert met de Kamer”. Lubbers wilde een “loepzuivere formulering” van Deetman.

Die kreeg hij. "Instemming', zei Deetman, betekende inderdaad dat erover moest worden gestemd. De Kamer kon verder inderdaad, zoals Lubbers suggeerde, van een motie gebruik maken om bij verschil van mening de betreffende minister of het hele kabinet naar huis te sturen. Maar, aldus Deetman, dan moest dat wel gebeuren vóórdat de minister naar Brussel afreisde. Want achteraf kan men dan nog wel het kabinet wegsturen, maar had men niettemin eventueel “het nakijken” wat betreft de toetreding tot de derde fase, waar de regering dan in Brussel mee had ingestemd.

Door al deze "casusposities', zoals dat rond het Binnenhof heet, werd duidelijk dat het Nederlandse parlement door de ratificatie van het verdrag van Maastricht werkelijk soevereiniteit afstaat, in het bijzonder "monetaire soevereiniteit', zoals Kok het noemde. “We praten hier over een werkelijk finale stap”, zei hij. Welke preciese formulering vanavond in het definitieve amendement terecht komt, was vanmorgen nog niet duidelijk.

Gecompliceerd is het allemaal toch al. De PvdA'er Melkert had de Duitse, Franse, Engelse en Nederlandse versies van het verdrag eens nageplozen op het punt van toepassing van de financiële criteria. Het resultaat is een interessante verwarring. In de Duitse tekst staat dat de toetredende landen de genoemde criteria moeten "erfüllen', in de Britse tekst wordt van "fulfilment' gesproken. Dat is nog redelijk streng geformuleerd. In de Franse tekst staat dat daarentegen veel wolliger: “dans quelle mesure chaque État membre a satisfait aux critères suivants”. En ook de Nederlandse tekst is niet geheel ondubbelzinnig; er wordt gesproken van de mate waarin elke lidstaat aan de criteria “voldoet”

Welke is de enige gautoriseerde versie, wilde Melkert weten. Hij kreeg er geen antwoord op.