In Amerika is de hel zwart; NWO/Huygenslezing 1992

Terwijl de meeste minderheden in de Verenigde Staten uiteindelijk hun weg weten te vinden, lukt dat de zwarte Amerikanen veel minder goed. Vooral in de oude wijken van steden als Los Angeles en New York is de toestand afschuwelijk. In de zwarte onderklasse die zich daar heeft gevormd komen gezinnen met twee ouders haast niet meer voor en rukt het geen-ouder gezin op. De meeste mannen zijn in de misdaad verzeild geraakt en in de armste gebieden blijven de inkomens dalen.

Een van de oorzaken van deze verpaupering is volgens Nathan Glazer de toegenomen stroom immigranten uit Azië, Zuid-Amerika en het Caribisch gebied. In de concurrentieslag om banen of klandizie slaagden de nieuwe minderheden waar de zwarten faalden.

Wat nu in Amerika gebeurt, is mogelijk de toekomst van Europa.

In het begin van de jaren '70 heb ik een aantal keren als docent deelgenomen aan het Salzburg-symposium voor Amerika-Studies in de Oostenrijkse stad Salzburg. Dit symposium is kort na de Tweede Wereldoorlog voor het eerst gehouden. Het uitgangspunt was dat Europa van de VS geïsoleerd was geraakt, en dat langs deze weg jonge Europeanen met een wetenschappelijke opleiding kennis konden nemen van de ontwikkelingen in de Verenigde Staten. We stonden aan het begin van de "Amerikaanse Eeuw' die thans, na nog geen halve eeuw, ten einde loopt. De Verenigde Staten hadden Europa van Hitler gered en waren destijds veruit het machtigste land ter wereld, zowel economisch als militair. Met enige arrogantie en wellicht ook enige terechte trots meende men in de Verenigde Staten dat men Europa iets te leren had - Europa dat verwoest en verlamd was door twee wereldoorlogen binnen slechts drie decennia.

De werkgroepen waaraan ik in Salzburg deelnam, gingen over stedelijke problemen. Het was toen al twijfelachtig wat de Europeanen nu precies van de Amerikanen konden leren over stadsontwikkeling, stadsplanning en stedelijke problematiek. De Verenigde Staten kenden immers geen grote stadsontwikkelings-traditie, en de Amerikaanse beleidsinstrumenten voor het sturen van stadsontwikkeling bestonden nog maar kort. Veel Europese landen waren de Verenigde Staten ver vooruit op het gebied van stadsplanning, stadsontwikkelingsbeleid en stadsbestuur. Wij waren het land met het ongecontroleerde kapitalisme en individualisme en met tamelijk wat corruptie bij de stedelijke overheden.

En dan was er nog een probleem dat vragen opriep over de relevantie van de situatie in de Amerikaanse grote steden voor die in Europa: ras. In de jaren '40, '50 en '60 stroomden onze steden in hoog tempo vol met zwarte migranten uit de agrarische gebieden en kleine gemeenten in het zuiden van de VS. De stedelijke bevolking in de oudste delen van het land slonk, terwijl de tuinsteden groeiden. De tuinsteden, ontsloten door nieuwe verkeerswegen, namen grote aantallen voormalige stadsbewoners op die nieuwe woningen, meer ruimte en meer grond verlangden. De explosieve groei van de tuinsteden ging gepaard met de stagnatie, of zelfs achteruitgang, van de bevolking in de stedelijke centra, en het Amerikaanse stadsleven raakte steeds meer gekenmerkt door een allengs "zwartere', armere stadskern omringd door welvarender tuinsteden met een overwegend blanke bevolking.

De suburbanisatie in de Verenigde Staten was verder gevorderd dan die in Europa, en tussen beide bestonden aanzienlijke verschillen. Het belangrijkste verschil was, naar mijn mening, de factor ras. De suburbanisatie werd niet alleen bevorderd door het verlangen naar nieuwe woningen en meer werk, maar ook door het verlangen te ontsnappen uit de steeds "zwartere' kernsteden. Vaak had ik, wanneer ik in Salzburg college gaf voor Europese stadsplanners en gemeenteambtenaren, de indruk dat wat er in de Amerikaanse steden plaatsvond voor hen eigenlijk irrelevant was, gezien onze geheel eigen raciale en sociale problematiek.

Echter, nu er in de landen van West-Europa aanzienlijke niet-Europese bevolkingsgroepen zijn, nu zich grote aantallen asielzoekers uit de Derde wereld in West-Europa aandienen en er een omvangrijke stroom migranten op gang dreigt te komen uit een Oost-Europa dat bezwijkt onder de overgang van communisme naar kapitalisme en het opnieuw uitbreken van oude etnische conflicten - nu ligt die situatie wellicht anders. Het is goed mogelijk dat men in Europa meent iets van de Amerikaanse ervaringen te kunnen opsteken. Maar hoe dat ook zij, in elk geval beginnen zich parallellen af te tekenen: niet-Europese allochtone populaties concentreren zich in de oudere wijken van de grote steden; bijgevolg overheersen deze groepen op sommige scholen in deze wijken; ze doen relatief vaak een beroep op sociale voorzieningen; dan is er de kwestie van acculturatie of assimilatie - qua taal, onderwijs en sociaal gedrag; er zijn de spanningen tussen de nieuwe, allochtone Europese dan wel buiten-Europese bevolking enerzijds en anderzijds de autochtonen, de politie en andere ambtenaren; en ten slotte de vraag welk beleid moet worden gevoerd om de sociaal-economische status en de assimilatie van deze bevolkingsgroepen te bevorderen. Moet er worden gestreefd naar meer verspreide vestiging en zo ja hoe? Is het gewenst dat hun kinderen geconcentreerd zijn op bepaalde scholen - of kunnen ze beter over klassen met autochtone kinderen worden verspreid? Moeten ze op school worden onderwezen in de eigen taal, cultuur, godsdienst en geschiedenis of moet hun juist worden geleerd die verschillen te vergeten en zoveel mogelijk als de autochtonen te worden? En wat voor beleid moet er worden gevoerd voor het geval dat de toestroom van niet-Europese immigranten verder aanzwelt?

In de Verenigde Staten houden we ons al geruime tijd met al deze kwesties bezig. Zonder ook maar een ogenblik te willen suggereren dat beide situaties parallel lopen, kan het toch nuttig zijn als Europeanen de in Amerika opgedane ervaringen eens nader bekijken - uit andere motieven dan wellicht 20 of 40 jaar geleden zouden hebben gegolden. Veertig jaar geleden was de VS nog een mogelijk emigratieland voor Europeanen, die toen nog niet wisten dat ze in de toekomst zelf welvarend zouden zijn en migranten zouden aantrekken. Vijfentwintig jaar geleden kon Europa zich afvragen of Amerika door zijn rassenproblemen niet zodanige schade zou oplopen dat zijn rol als leider van een vrije wereld tegen het communisme zou zijn uitgespeeld. Thans is de situatie anders en zou Amerika wat bepaalde kwesties betreft wel eens het voorland van Europa kunnen zijn.

Zo gezien moeten de vreselijke onlusten in Los Angeles van afgelopen voorjaar een enorme teleurstelling zijn geweest - niet alleen voor de Amerikanen, die zich moesten afvragen wat er eigenlijk was veranderd sinds de rellen in Los Angeles 27 jaar geleden, maar ook voor Europeanen die de Verenigde Staten zagen als een voorbeeld van een goed functionerende etnisch gevarieerde, multiraciale samenleving.

Oppervlakkig gezien hadden de onlusten van 27 jaar geleden soortgelijke oorzaken, weerspiegelden ze soortgelijke sociale problemen en leidden ze tot een zelfde langdurige golf van zelfonderzoek. Iedereen begreep dat de recente rellen in Los Angeles geen unicum waren, geen weerslag van de toestand in alleen die ene stad. Weliswaar zouden de onlusten beter in de hand te houden zijn geweest als de commandant van de politie in Los Angeles meer tact had bezeten en als de politie meer ervaring had gehad met massale ordeverstoringen: in 1992 is, anders dan eind jaren '60, in het algemeen voorkomen dat de rellen oversloegen naar elders. Maar iedereen zag in dat hun diepere oorzaken vrijwel overal waren aan te wijzen. Los Angeles worstelde met de vraag hoe men grote delen van de stad moest herbouwen, wat voor sociale opbouwprojecten men zou ondernemen, en waar men het benodigde geld vandaan zou halen. In de andere grote stedelijke centra van de Verenigde Staten was de toestand echter nauwelijks anders. Het was, om een bekende Amerikaanse uitdrukking te gebruiken, gewoon "weer het oude déjà-vu-liedje'. Dat concludeerde een commissie van het Californische parlement. Maar als het weer het oude liedje was, als de omvangrijke sociale projecten in de steden van de jaren '60 en '70 en de sterk uitgebreide wetgeving op het gebied van de burgerrechten dan blijkbaar zo weinig effect hadden gesorteerd, hoeveel hoop bestond er dan dat nieuwe projecten (onvermijdelijk minder omvangrijk omdat de Federale overheid wordt geplaagd door een enorm begrotingstekort) nu meer succes zouden hebben?

In één cruciaal opzicht was het echter dit keer niet het oude liedje: de bevolkingsopbouw van Los Angeles en veel grote Amerikaanse steden heeft, in raciaal opzicht, sinds 1965 een ingrijpende verandering ondergaan. De vonk in het kruitvat was in 1992 misschien wel dezelfde als in 1965 - tactloos, bruut politieoptreden. De voornaamste tegenstanders waren weliswaar weer dezelfde twee rassen, zwart en blank, die op het grondgebied van de VS nu al 350 jaar in een tragisch conflict zijn gewikkeld. Maar ook nieuwe partijen mengden zich in de strijd: mensen van Latijns-Amerikaanse en Aziatische herkomst. Dit jaar werden voornamelijk Aziatische winkeliers het slachtoffer van de destructieve woede (en de onbezonnen plunderingen); en de Latino's (van Mexicaanse en Middenamerikaanse origine) speelden een even belangrijke rol in het geweld en de plunderingen als de zwarten. De lijst van personages op het toneel van de Amerikaanse stad, de Amerikaanse samenleving, bleek veranderd. Deze twee nieuwe elementen brachten een beslissende verandering aan in de raciale en etnische problematiek van Amerika.

In 1965 werd in de Verenigde Staten in hoog tempo een aantal belangrijke wetten op burgerrechten-gebied aangenomen die de zwarte bevolking een aandeel in het politieke leven garandeerden, terwijl iedere vorm van discriminatie in het openbare leven werd verboden. In het kader van deze poging om alle facetten van racisme uit het Amerikaanse openbare leven te bannen, werd ook de destijds weinig opgemerkte Hervormingswet op de Immigratie aangenomen. Het is goed erop te wijzen dat men in de Verenigde Staten sinds het begin van de jaren -20 niet meer had gedacht nog ooit een massa-immigratieland te worden. De immigratiewetten van de vroege jaren '20 legden zulke strenge beperkingen op aan de immigratie uit Oost- en Zuid-Europa, de voornaamste herkomst van de massale stroom immigranten aan het begin van deze eeuw, dat die vrijwel tot staan kwam. Deze wetten, de crisisjaren en de oorlog zorgden ervoor dat de immigratie naar de Verenigde Staten gedurende dertig jaar sterk verminderde. Zelfs tijdens de jaren van Hitlers jodenvervolging bleef men de inreisbeperkingen strikt hanteren. En ook na de oorlog bleven die van kracht, met slechts bescheiden aanpassingen die een klein aantal oorlogs-ontheemden en vluchtelingen in staat stelden te immigreren.

De wet op de immigratie-beperking werd door liberalen gezien als een monument voor het racisme - wat ze ook was, met haar verbod op alle immigratie vanuit Azië, haar scherpe restricties op de immigratie van joden en rooms-katholieken uit Oost-Europa en haar uitgesproken bevoorrechting van Engeland, Ierland en Duitsland. Deze wet werd in 1965 eindelijk herroepen. Weinigen voorzagen de consequenties van het nieuwe immigratiebeleid. De voorstanders meenden dat zij een historisch onrecht afschaften en het bepaalde Amerikanen gemakkelijker maakten om hun familieleden te laten overkomen en hun gezinnen te herenigen. En maar een enkeling bracht het nieuwe immigratiebeleid in verband met het lot van de Amerikaanse neger: het leek gewoon een onderdeel van het streven om elk onderscheid naar ras uit de Amerikaanse wetgeving te schrappen.

Maar zoals we aan Los Angeles hebben gezien, veranderden we met deze wetgeving het karakter van de Amerikaanse stad, het thuis van de grote meerderheid van de Amerkaanse zwarten, en ook de problemen waarmee zij te kampen krijgen als ze hun positie willen verbeteren.

Op de vraag waarom de immigratiewet zulke onverwachte consequenties had, zal ik hier niet nader ingaan. Maar de immigratie begon gestaag toe te nemen, tot ze in de late jaren '80 het huidige peil van meer dan 700.000 mensen per jaar bereikte. Ook de plaats van herkomst veranderde: kwam men voorheen vrijwel uitsluitend uit Europa, thans komt de overweldigende meerderheid uit Azië, Latijns-Amerika en het Caraïbisch gebied.

De raciale samenstelling van de Amerikaanse bevolking onderging een verbluffende verandering. Toen ik in het begin van de jaren '60 een boek schreef over de etnische groepen in New York, onze grootste stad, met meer dan zeven miljoen inwoners, was 80% van hen blank, van Europese origine. Men kon zeggen dat het politieke, economische en culturele leven werd bepaald door grote categorieën Europese immigranten, terwijl Ieren, joden, Italianen, zwarten en Puertoricanen nog konden gelden als relatief nieuwe bevolkingsgroepen die zichzelf na verloop van tijd in economisch en politiek opzicht zouden versterken en hun rol zouden gaan meespelen in het complexe geheel van etnische en raciale elementen. Thans is New York, bij hetzelfde inwonertal, voor ruwweg 25% zwart, 25% Latino, 7% Aziatisch en nog maar voor zo'n 40% blank-Europees. De oude spanningen en conflicten tussen de van oorsprong Europese groepen bestaan nog steeds, maar het leven en de problemen van de stad worden steeds sterker bepaald door de scheidslijnen tussen blanken, zwarten en Latino's. De globale bevolkingscijfers voor het land als geheel - 12% zwarten, 7% Latino's, 3% Aziaten - zijn geen maat voor het belang van de immigranten- en minderheden-vraagstukken in onze oude stadswijken. Daar concentreren zich de oude zwarte bevolking en de recentere immigrantenpopulaties, en dat completeert het decor voor gebeurtenissen als de onlusten in Los Angeles.

Onze immigratie is qua volume niet zo groot als op het hoogtepunt van de immigratiegolf voor de Tweede Wereldoorlog. Maar de gevolgen ervan zijn naar mijn idee even groot, en een van de redenen daarvoor is dat ze zich sterker concentreert in bepaalde steden en stedelijke agglomeraties dan destijds. Toen trokken de immigranten ook in groten getale naar de steden, die groeiden en werk boden. Maar het ging toen om een groot aantal steden verspreid over het noordoosten en midden van de VS. De immigratie van de afgelopen 25 jaar is sterk geconcentreerd in Los Angeles, de agglomeratie van New York, Florida, en in mindere mate Chicago en de groeiende steden in Texas. Grote steden die vroeger evenveel immigranten trokken als New York of Chicago, zoals Detroit, Cleveland, Philadelphia en St. Louis merken dit keer vreemd genoeg slechts weinig van de immigratiegolven. Zo is de bevolking in de agglomeratie van Los Angeles nu voor 27% van uitheemse geboorte (in 1980 was dat 18,5%); in New York is 20% buiten de VS geboren (was 17%); in Miami 34% (was 26%). Maar in Philadelphia is maar 5% niet-inheems, en dat cijfer is sinds 1980 niet veranderd; in Detroit komt 5,5% uit het buitenland - minder dan in 1980. Al deze cijfers gelden voor de stedelijke agglomeraties; in de centrale oude wijken zijn de concentraties van niet-inheemsen groter.

Door deze immigratie van in hoofdzaak Latino's (de term die het Amerikaanse bureau voor bevolkingsstatistiek hanteert voor mensen uit Spaans-sprekende gebieden in de nieuwe wereld is Hispanics) en Aziaten neemt het percentage zwarten in de grote stadsagglomeraties af. De tijd van de zwarte volksverhuizing, waarin een groot deel van de zwarte bevolking van de VS uit de kleine gemeenten en dorpen in de zuidelijke staten wegtrok om de grote steden en hun agglomeraties te overspoelen, is voorbij. Het percentage zwarten in steden als Los Angeles, Chicago, Houston, San Francisco is in de jaren 1980 zelfs gedaald. Waar het steeg, zoals in New York, was dat grotendeels door de immigratie van zwarten uit het Caraïbisch gebied. De enige grote stad die een substantiële groei van de zwarte bevolking kende was Miami, met als hoofdoorzaak zonder twijfel de immigratie van Haïtianen.

De Aziaten, die tot de jaren 1980 slechts een miniem aandeel hadden in de bevolkingssamenstelling van de VS, nemen nu op tal van plaatsen een behoorlijk aandeel voor hun rekening. Het aantal Aziaten is in de jaren '80 verdubbeld van drie tot zeven miljoen - nog altijd maar 3% van de bevolking. Maar in de agglomeratie van Los Angeles vormen zij bijna 10% van de bevolking. In San Francisco is dat percentage maar liefst 15. En in de reusachtige agglomeratie van New York maken ze 5% van de bevolking uit.

Maar de ingrijpendste verandering van de jaren '80, die ook in de jaren '90 nog doorzet, is de gestage groei van het aantal Latino's: een derde deel van de agglomeraties van Los Angeles en Miami; een vijfde deel van die van Houston; 15% van de agglomeraties van New York en San Francisco. Die immigratie is zowel legaal als illegaal. De zorg over de illegale immigratie leidde in 1986 tot een belangrijke wet, de wet op de beperking en beheersing van de immigratie. Deze wet voorzag in een omvangrijk compromis dat de bedoeling had het immigrantenprobleem op te lossen: ze moest de illegale immigratie bemoeilijken door werkgevers die illegalen in dienst hadden strafbaar te stellen; en aan miljoenen illegalen die aan bepaalde voorwaarden voldeden zouden amnestie en een permanente verblijfstitel worden verleend. Gemeten naar haar doelmatigheid moet deze wet als een mislukking worden beschouwd. De illegale immigratie is niet tot staan gebracht, en de zuidgrens met Mexico blijkt in de praktijk onmogelijk af te grendelen. Het feit dat er één keer aan miljoenen immigranten amnestie is verleend wekt bij illegale immigranten de gerechtvaardigde hoop dat er nog een tweede amnestie zal komen. De burgeroorlogen, wijdverbreide ontregeling van het maatschappelijk leven en de massale armoede in Midden-Amerika en het Caraïbisch gebied stimuleren de emigratie naar de VS; de hogere lonen daar bevorderen de immigratie. We zijn niet in staat wetten te formuleren, en het ontbreekt ons aan politieke wil om wetten uit te voeren, die een reëel effect zouden sorteren.

Wat zijn de gevolgen van deze grote etnische en raciale verandering voor de inheemse zwarte bevolking, die nu is geconcentreerd in onze oude stadswijken? Ze vormen een groep die al even lang in de Verenigde Staten woont als de vroegste Europese kolonisten, en op hen richtten zich de belangrijke wetten op de burgerrechten en veel van de sociale wetgeving uit de jaren '60. Deze kwestie is niet eenvoudig en leent zich niet tot een simpel antwoord. Maar in een aantal cruciale opzichten zijn de Amerikaanse zwarten in mijn ogen het slachtoffer van de nieuwe immigratiegolf. Ik wil de problemen waarmee de zwarten thans worstelen niet simpelweg toeschrijven aan het huidige immigratiepatroon. Maar dat heeft, in combinatie met andere factoren, de situatie voor de zwarte bevolking wel bemoeilijkt.

Slechts enkele demagogische zwarte leiders, gesteund door de krachtige sentimenten bij de zwarten in de grote steden, geven uiting aan animositeit jegens de immigranten. De Koreaanse winkeliers in Los Angeles, zelf immigranten uit de jaren '70 en '80, die zich in zwarte wijken hebben gevestigd, worden uitgemaakt voor uitbuiters. Dezelfde omstandigheden waaraan zij hun succes danken, wekken de vijandschap van de zwarten op. Een voorbeeld: het succes van de Koreaanse winkeliers berust onder meer op het feit dat ze zo min mogelijk werknemers in dienst nemen, en zoveel mogelijk gebruikmaken van hun eigen familieleden en hun eigen arbeid. Ze nemen dus ook geen zwarten uit de buurt in dienst. En dat versterkt dan weer hun imago als buitenstaanders en uitbuiters van zwarten. Dit gegeven is misschien wel de belangrijkste bron van conflicten en wrijving tussen zwarten en Aziaten, die zich in tal van steden in verrassend korte tijd hebben gevestigd als de middenstanders van de zwarte woonwijken. Aziaten gaan in die wijken wonen omdat ze weinig kapitaal hebben; en dat komt weer doordat daar voor weinig geld bedrijven te koop zijn, aangezien het zakendoen er gevaarlijk is en niemand zich er uit vrije wil vestigt. Door hun culturele achtergrond zijn ze bereid zich voor hun familie enorme inspanningen te getroosten en zullen hun kinderen de wensen van hun ouders gehoorzamen en in de winkel werken, ook al vormt hun school een zware belasting. Maar de zwarten in deze wijken zijn geen sociologen en laten zich niet vermurwen door verklaringen van wat er aan de hand is: zij zien alleen uitbuiting.

Maar waarom hebben de zwarten geen gebruik gemaakt van de mogelijkheden die de detailhandel biedt in de wijken waar zwarten zijn geconcentreerd? Die kwestie heeft een lange voorgeschiedenis zodat deze vraag niet eenvoudig te beantwoorden is. Vóór de Koreanen en de Chinezen waren er de joden. Zonder twijfel wortelt het gegeven dat men dit soort kansen onbenut laat zeer diep, misschien zelfs in de slavernij.

De vraag kan worden gesteld waarom er in onze grootste steden nog altijd zulke grote wijken zijn met een in overgrote meerderheid arme zwarte bevolking, geplaagd door sociale problemen. Soortgelijke omstandigheden heersten ooit ook onder grote arme groepen migranten in onze steden - Ieren, joden, Italianen. Maar zij zijn na verloop van tijd door de kansen die de groeiende economie hun bood in staat gesteld zich op te werken, en hun immigranten-getto's slonken tot een fractie van hun omvang, verdwenen geheel of bleven bestaan als toeristenattracties en winkelcentra voor de inmiddels verspreide etnische populaties. Waarom bestaan zulke wijken nog, en groeien ze zelfs nu het rassenvooroordeel is teruggedrongen, nu er verstrekkende wettelijke maatregelen tegen discriminatie zijn, nu er een omvangrijk net van sociale voorzieningen is gespannen (omvangrijk naar Amerikaanse maatstaven, zij het naar Nederlandse maatstaven nog ver beneden de maat)? Waarom hebben andere groepen, die ook te kampen hebben gehad met een zekere mate van vooroordeel en discriminatie, kans gezien de sociale ladder te beklimmen, en waarom kost dat zwarten zoveel moeite? Waarom wonen zij nog altijd geconcentreerd in de oude stadswijken waar ze concurrentie ondervinden van nieuwe immigranten die bereid zijn genoegen te nemen met lagere lonen en harder te werken, en die zich gesteund weten door een hechte gezinsstructuur?

Dit is nog een van de moeilijkst te begrijpen kwesties. De hoeveelheid verricht onderzoek is immens, maar biedt geen uitsluitsel.

Om te beginnen is het verkeerd te menen dat de realiteit van deze grote enclaves, overwegend bewoond door zwarten maar ook door Latino's, arm en geteisterd door sociale problemen, een compleet beeld geeft van de Amerikaanse zwarte bevolking. Volgens bepaalde maatstaven is er sinds de jaren '60 een reusachtige verbetering in de situatie van de zwarten opgetreden. Zwarten zijn in groten getale doorgedrongen tot vrije en witteboorden-beroepen. Landelijk beliep het inkomen van een gemiddeld zwart gezin in 1990 maar 63% van dat van een blank gezien. Maar in het westen van de VS was dat 76%, een aanzienlijke verbetering ten opzichte van de 68% in 1979. In de oostelijke staten was het 68,5%, eveneens een flinke verbetering ten opzichte van de 63% uit 1979.

Deze grove, globale meting van het gezinsinkomen veegt echter twee werelden bij elkaar, één waar de kansen, en de mate waarin daarvan gebruik wordt gemaakt, gelijk zijn voor zwart en blank; en een waar de opeenhoping van maatschappelijke problemen het begrip "kansen' tot een lachertje maakt. In de ene wereld werken zwarten bij de overheid, in het bedrijfsleven, in industriële en dienstverlenende beroepen, en genieten een inkomen gelijk aan dat van hun blanke collega's. In de andere leeft een groot deel van de zwarte bevolking van uitkeringen, van los werk of van de misdaad. En het is dit grote niet werkende, problematische segment van de bevolking dat het gemiddelde zwarte gezinsinkomen omlaag haalt. Het is al sinds lang bekend dat stabiele zwarte geschoolde gezinnen inkomens hebben die niet ver bij die van blanken achterblijven. Maar juist het zeer grote percentage gezinnen van alleenstaande moeders met een laag (meest bijstands-) inkomen trekt het gemiddelde zwarte inkomen omlaag. De vraag wordt dan deze: waardoor zijn er zoveel meer van dat soort gezinnen onder de zwarte bevolking dan bij blanken of recente immigranten? Die vraag wordt nu al meer dan 25 jaar onderzocht.

Kort voor de rellen in Watts, in 1965, publiceerde Daniel P. Moynihan, thans senaatslid voor de deelstaat New York, een rapport over het zwarte gezin dat sterk omstreden zou worden. Hij wees op de toename van het aantal zwarte gezinnen met een alleenstaande vrouw aan het hoofd. Zulke gezinnen vormden toen 25% van alle zwarte gezinnen, ongeveer driemaal het cijfer voor blanke gezinnen. Sindsdien is dat aandeel opgelopen tot boven de 50%. Het aantal blanke gezinnen van alleenstaande moeders is evenredig gestegen, maar ging uit van een veel lager begincijfer. Het zwarte tweeoudergezin, al in de jaren '60 een bedreigde soort, is in de arme zwarte stadswijken haast verdwenen. In de jaren '60 en '70 was dit een niet gemakkelijk te bespreken onderwerp. Het werd veroordeeld als "de schuld aan het slachtoffer geven'. Wie de inkomensstatistieken bekeek en ze trachtte te verklaren, kon niet om deze realiteit heen. Wie keek naar de schoolprestaties van zwarte kinderen in de grote steden zag onvermijdelijk een correlatie met de gezinsomstandigheden. Iemand vroeg onlangs tijdens een schoolbezoek aan het hoofd hoeveel van de scholieren in gezinnen met alleen een moeder woonden. Het hoofd antwoordde: ""U kunt beter vragen hoeveel kinderen in gezinnen zonder ouders wonen'' - kinderen in tehuizen, wier ouders uit de ouderlijke macht waren ontzet, of die in de steek waren gelaten door hun moeder of hun grootouders. Uiteraard viel de toestand deels te verklaren uit armoede, die terugging op heersende vooroordelen en discriminatie, waarbij wellicht ook de slavernij nog een rol speelde. Maar sommige onderzoekers, in de eerste plaats de historicus Herbert Gutman, wezen erop dat het zwarte gezin voorheen stabieler was geweest, dat het uiteenvallen was begonnen juist in de jaren '60 tot '80, waarin de rechtspositie van de zwarten enorm was verbeterd, waarin het stelsel van sociale voorzieningen voor de armen geweldig was uitgebreid, en waarin de politieke macht van de zwarte Amerikaan was toegenomen. Het leek wel alsof het mechanisme (wat dat ook mocht zijn) waardoor het percentage stabiele echtparen onder de zwarte bevolking afnam, een geheel eigen leven leidde, niet beïnvloed door veranderingen in het overkoepelende wettelijke, economische en politieke klimaat die de stabiliteit van het zwarte gezin juist hadden moeten vergroten. Natuurlijk hadden de algemene maatschappelijke ontwikkelingen ook tot gevolg dat het aantal geboorten bij ongehuwde of gescheiden ouders aanzienlijk toenam. En nieuwe immigranten merkten relatief weinig van deze ontwikkelingen, wat een van de oorzaken van hun grotere maatschappelijke succes was. Maar het effect van de culturele veranderingen op het zwarte gezin stelde alles wat er elders in de samenleving plaatsvond verre in de schaduw.

Wat veroorzaakte de verandering in het zwarte gezin? Volgens de socioloog Charles Murray, wiens werk omstreden is, kon maar één ding de oorzaak zijn: de opkomst van juist de sociale voorzieningen die waren bedoeld om de armen en achtergestelden te helpen, in het bijzonder de financiële bijstand en andere voorzieningen ter ondersteuning van alleenstaande moeders en hun gezinnen. Daardoor veranderde het geheel van prikkels die de jongeren uit die gezinnen ondervonden. Anderen bestreden dit: hoe kwam het dat de aantallen buitenechtelijke kinderen en alleenstaande moeders zo zijn toegenomen in de jaren '70 en '80, terwijl de koopkracht van de bijstandsuitkeringen door de inflatie terugliep en daarmee ook de negatieve prikkels die volgens Charles Murray de veranderingen verklaarden?

Wellicht het meest overtuigende tegenargument kwam van de zwarte socioloog William L. Wilson, die betoogde dat daling van het aantal banen in de industrie, banen die aanvakelijk de zwarten uit het zuiden naar steden als Chicago, Detroit en Cleveland hadden gelokt, de hoofdoorzaak was. Laaggeschoolde mannen konden niet langer goed verdienen in de industrie. Naarmate meer mannen werkloos raakten en minder jonge mannen bij het betreden van de arbeidsmarkt een baan vonden, slonk ook de mannelijke huwelijksmarkt. Maar volgens Wilson was niet alleen deze economische kwestie in het geding. De toenemende concentratie van arme zwarten in de oude stadswijken, naarmate de meer geslaagden naar de tuinsteden trokken, schiep een maatschappelijk klimaat waarin weinig mannen een vaste baan hadden, waarin weinig vrouwen een stabiel huwelijk aangingen, waarin weinig moeders samenwoonden met de vaders van hun kinderen en waarin de kinderen bijgevolg van huis uit onvoldoende worden getraind in het gedragspatroon dat nodig is op school, in een baan en voor een stabiel huwelijk.

De laatste tijd treedt nog een facet van dit complex van omstandigheden op de voorgrond: de misdaad, niet alleen als een gevolg, maar ook als cruciale factor in het voortduren van die omstandigheden. Van hoeveel invloed de misdaad is op bepaalde facetten van het leven in de zwarte wijken is pas recent gebleken. Hierbij is het onderzoek van arbeidseconoom Richard Freeman, die sinds enige jaren bestudeert waarom de deelname van de zwarte jongere aan het arbeidsproces zo achterblijft bij die van andere jongeren, van doorslaggevende betekenis. Op basis van zijn bevindingen stelt hij:

""...het percentage maatschappelijk onbevoorrechte jonge mannen met een strafblad nam in de jaren 1980 zo sterk toe dat de misdaad, in plaats van marginaal, afwijkend gedrag, een belangrijke factor werd in hun economisch leven. Gevolg hiervan is dat de bestaande voorzieningen voor de sociaal misdeelden - scholing en opleidingen, positieve discriminatie en wijkgerichte economische stimuleringsplannen - niet meer voldoen om deze mannen terug te brengen in het geregelde economische verkeer. (...) Onder zwarten had, in de jaren 1980, een vijfde van de mannen tussen 16 en 34 jaar en liefst drie kwart van de 25-34-jarige mannen zonder voltooide schoolopleiding een strafblad. (...) Zelfs in steden met een geringe werkloosheid, zoals Boston op het hoogtepunt van het "Wonder van Massachusetts', waren de economische mogelijkheden voor grote aantallen achtergestelde jongeren onvoldoende om hen uit de criminele sfeer te houden.''

De effecten van de misdaad op de zwarte gemeenschappen in de grote steden zijn divers. Ze weerhoudt jongeren van het werken in een reguliere betrekking. Het hoge aantal arrestaties en veroordelingen maakt hen minder geloofwaardig als betrouwbare werknemer en maakt het hun zelfs onmogelijk bij de strijdkrachten te gaan, die vroeger voor zwarte jongens een belangrijke route naar sociale verbetering vormden. Verder verhoogt de criminaliteit de sterfte onder zwarte mannen waardoor de huwelijksmarkt waarvan William Wilson spreekt nog meer slinkt. Ten slotte heeft de misdaad tot gevolg dat wie maar even kan wegtrekt, zodat de zwarte wijken het zonder voorbeelden van stabiliteit en welslagen moeten stellen.

Pas wanneer je ontdekt hoe omvangrijk de invloed van de misdaad op de zwarte mannelijke bevolking is, zie je in dat ze een wezenskenmerk is van het leven van de zwarten in de Amerikaanse steden. Landelijk is het aantal ernstige misdrijven in de Verenigde Staten van begin jaren '60 tot begin jaren '80 verdrievoudigd, waarna het iets daalde om eind jaren '80 weer op te lopen. Tijdens de jaren '60 daalden de aantallen gevangenen enigszins, maar van begin jaren '70 tot op heden zijn ze onafgebroken gestegen. In 1988 zaten bijna een miljoen personen in gevangenissen en huizen van bewaring. No eens drie miljoen mensen waren voorwaardelijk vrij. De helft van alle veroordeelde gevangenen bestaat uit zwarte mannen. (1)

Voor de oude stadsdelen zijn deze onvoorstelbaar hoge cijfers nog hoger. Zo leert ons een recent rapport over de toestand in Baltimore dat ""op een willekeurige dag in 1991 56% van de zwarte mannen tussen de 18 en 35 jaar gevangen zat, voorwaardelijk vrij was, werd gezocht door de politie dan wel in voorarrest zat'' (Washington Post van 2 sept. 1992).

Deze explosie van het aantal arrestaties wordt grotendeels veroorzaakt door de "oorlog tegen drugs' die, ondanks de hoge kosten en grote inspanningen weinig effect lijkt te hebben op de drugsmokkel, terwijl de neveneffecten een hoger aantal inbraken en berovingen en een moordende oolog tussen groepen drugshandelaren zijn.

Deze afschuwelijke toestand laat zich moeilijk te schril afschilderen; toch moeten we ons nogmaals realiseren dat het geschetste beeld de realiteit van zwart Amerika maar ten dele weergeeft. In de loop van de jaren '80 lijkt zich in het zwarte volksdeel namelijk een splitsing te hebben afgetekend. Grote aantallen zijn uit de oude steden naar de buitenwijken weggetrokken. In het algemeen kwamen zij terecht in een betere situatie: hogere inkomens, meer eigen huizen, toegang tot betere scholen, minder criminaliteit. Deze splitsing werd zichtbaar in de inkomensstatistieken. Uit een recent onderzoek van het Amerikaanse bureau voor bevolkingsstatistiek blijkt dat het percentage zwarte gezinnen met hoge inkomens - meer dan $50.000 in hedendaagse dollars - tussen 1967 en 1990 is verdubbeld. Maar ook het percentage allerlaagste inkomens - minder dan $5.000 - nam aanzienlijk toe, van 8% tot 12%.

Wat is het verband tussen de in raciaal en etnisch opzicht veranderende bevolkingssamenstelling in de Amerikaanse steden, en de ernstige maatschappelijke problemen onder grote delen van de zwarte bevolking? Een rechtstreeks verband is in elk geval niet aan te tonen. Uit econometrische onderzoeken blijkt geen verband tussen immigratie en de economische omstandigheden van zwarten, maar dat is ook niet verwonderlijk. Deze onderzoeken vergelijken steden met veel, en steden met weinig immigranten. Steden met veel immigranten zijn tegelijk groeiende, welvarende steden, en ook zwarten hebben het daar beter dan in de economisch zwakke steden. Om die reden trekken de immigranten daar ook heen. Berichten die sociologen "anekdotisch' zouden noemen, tonen een ander beeld. In veel steden zijn zwarten door immigranten uit de beroepsgroepen verdrongen waarin ze vroeger overheersten: hotelpersoneel, schoonmaakpersoneel, lager betaalde fabrieksarbeiders. De reden daarvoor wordt duidelijk in gesprekken met werkgevers. Niet alleen zal een immigrant eerder laag betaald werk aannemen, al speelt dat zeker een rol. Maar immigranten zijn vaak betrouwbaarder, gezeglijker en eerder bereid gezag te erkennen. Men zou kunnen zeggen dat ze hun rechten gewoon niet kennen, maar in het civielrechtelijk klimaat in de VS is dat van voordeel voor de werkgever.

En als er nu eens minder immigranten waren, zou de toestand dan anders zijn? De voorstanders van omvangrijke immigratie, dat zijn in de VS naast politiek links ook werkgevers (met als voornaamste spreekbuis vrije-marktkampioen The Wall Street Journal), geven vaak het argument dat immigranten werk aannemen dat zwarten weigeren omdat de arbeidsomstandigheden zwaar zijn of het loon laag is. Maar als het aanbod van immigrantenarbeid nu eens werd verkleind, zou dat werk dan niet veranderen? Zou het loon niet omhoog gaan en zouden de omstandigheden niet verbeteren? We weten dat andere ontwikkelde landen het kunnen stellen met een veel geringer aanbod van immigranten, of zelfs geheel zonder, zoals Japan. We mogen dus niet concluderen dat door het aanbod van immigranten op de arbeidsmarkt jonge zwarte mannen geen werk kunnen krijgen, in de misdaad verzeild raken, niet in staat zijn om hun kinderen goed op te voeden en zo het aantal alleenstaande moeders opschroeven. De verbanden zijn nooit zo eenvoudig. Naar mijn overtuiging heeft zich in de arme zwarte wijken van de grote steden een cultuur gevestigd die deze omstandigheden continueert, ook als zich nieuwe economische mogelijkheden aandienen. Maar er is volgens mij ook een verband met de toegenomen immigratie.

De vraag is intussen wat er moet gebeuren, wat er gaat gebeuren, na de rellen in Los Angeles. Heel weinig, naar het zich laat aanzien, veel minder dan 27 jaar geleden in de nasleep van de onlusten in Watts. In elk geval blijkt uit niets dat Amerika meer zijn best zal doen om de illegale immigratie terug te dringen of de legale te beperken. Daar zouden het zakenleven zowel als politiek links zich tegen verzetten. Ook komt er geen verruiming van de sociale voorzieningen zoals na Watts. Toen hadden we nog hoop dat zulke voorzieningen de ernst van de maatschappelijke problemen in de binnensteden flink zouden verminderen. Natuurlijk kan daartegen worden ingebracht dat we niet genoeg hebben gedaan, dat meer ook meer effect zou hebben gehad. Het oordeel van het Amerikaanse electoraat was echter op den duur dat er genoeg was gedaan en dat méér geen verschil zou uitmaken. Het grootste sociale hulpproject van de jaren '80 bleek uiteindelijk de "oorlog tegen drugs' te zijn en de gevangenneming, ten koste van zeer veel geld, van een groot deel van de mannelijke zwarte bevolking. Andere voorzieningen leden een kwijnend bestaan. Uit de welvaart en de lage werkloosheidscijfers in grote delen van de Verenigde Staten, tegen het einde van de jaren '80, vielen geen aanmerkelijke verbeteringen in de zwarte wijken met minimuminkomens af te leiden. De problemen in de oude wijken staan thans niet op de nationale politieke agenda. De mensen lossen het probleem op door te vertrekken zodra ze kunnen - en velen lukt dat. Het percentage van de bevolking dat in de oude stadswijken woont, neemt inderdaad af terwijl de tuinsteden groeien. Die huisvesten nu een veel groter deel van de bevolking, inclusief de zwarte bevolking. Daarom lijkt er in de landelijke politiek geen winst te behalen met duurzame aandacht voor de problemen van de oude stadswijken.

Een van de redenen waarom de kiezers niet om meer aandacht voor die problemen roepen is dat volgens hen de aandacht die we al hebben geschonken, in de vorm van meer voorzieningen, meer geld en meer zorg in de jaren '60 en '70, niets heeft opgeleverd. Die conclusie is weliswaar te ongenuanceerd - de zwarte middenklasse is enorm uitgedijd onder meer door deze maatregelen, maar tegelijk is het zo dat de toestand van de arme zwarten nog vrij ernstig is verslechterd. Sociale wetenschappers noch de schrijvers van beleidsanalyses blijken in staat tot het doen van overtuigende voorstellen voor een mogelijke aanpak van de situatie. Wie de belangrijkste voorstellen tot dusverre beschouwt (overigens zonder de verwachting dat er veel zal worden ondernomen om ze te verwezenlijken) komt niet tot de overtuiging dat het huidige beleidsarsenaal op deze kwestie een antwoord biedt.

Een voornaam beleidspunt is bij voorbeeld het streven naar meer investeringen in de getto-wijken waaruit het zaken- en bedrijfsleven zich heeft teruggetrokken, om zo banen te creëren voor de jongeren die er wonen. Hiertoe worden zogeheten enterprise zones ingericht, gebieden waar de druk van belasting en regelgeving op nieuwe ondernemingen wordt verminderd. Maar er is weinig grond voor optimisme: nieuwe investeringen blijven uit wegens de hoge kosten van de criminaliteit en wegens de geringe scholing en motivatie van het arbeidspotentieel, en die argumenten wegen zwaarder dan enig voordeel dat de overheid zou kunnen bieden.

Een veelbesproken serie voorstellen richt zich op het openbreken van concentraties arme zwarten. Deze plannen zijn populairder bij linkse beleidsanalisten dan bij het publiek. Het is haast onmogelijk om nieuwe woningen te bouwen die vervolgens welvarender gezinnen naar deze wijken te lokken, dit vanwege de misdaad, de drugs en de slechte scholen. Kunnen de arme zwarten dan misschien naar de tuinsteden worden verplaatst? Een kleinschalig project in Chicago leert dat wanneer zwarten uit de oude stadswijken naar stabiele buitenwijken worden overgeplaatst, hun kinderen beter zullen presteren op school en hun omstandigheden in het algemeen zullen verbeteren. Dat project was alleen mogelijk door een rechterlijke uitspraak van twintig jaar geleden, waarbij de dienst huisvesting van Chicago werd verplicht iets te doen om de concentratie van zwarten in bepaalde woningbouwprojecten te doorbreken. Tegenwoordig treden rechters niet meer zo actief op. En trouwens: wie daartoe in staat is, vertrekt zelf al. Er heersen weliswaar vooroordelen in de blanke tuinsteden, maar de zwarten leven thans veel meer verspreid dan in de jaren '60, terwijl uitbarstingen van geweld om zwarten te weren veel zeldzamer zijn geworden. Voor dit soort veranderingen, waarbij mensen handelen in wat zij zien als hun eigen belang, is geen specifiek overheidsbeleid nodig, buiten het handhaven van de wetten tegen discriminatie en van een economisch klimaat waarin kansen worden geboden.

Belangrijk was in de jaren '60 en '70 de poging om de scholen te integreren ondanks de concentratie van zwarten in bepaalde woonwijken: de leerlingen werden per bus vervoerd met als doel rassenintegratie op school. In veel steden stuitte dit op massaal verzet, en het enige effect van de maatregel was, in het algemeen gesproken, dat er nog minder blanke leerlingen naar scholen in de oude stadswijken gingen, ofwel omdat ze naar particuliere scholen werden gedaan of omdat men des te sneller besloot om te gaan verhuizen. Ook hier geldt weer dat er zonder actief optreden van de rechterlijke macht weinig te verwachten valt van deze vorm van integratie en de mogelijke positieve effecten op de zwarte jeugd.

Weer een andere aanpak heeft momenteel waarschijnlijk de meeste aanhangers: het verbeteren van de scholen in de oude stadswijken als een eerste stap op weg naar betere kansen in de maatschappij. Er is op het gebied van het onderwijs en het schoolbezoek in die stadsdelen meer gedaan dan op welk ander gebied ook. De veranderingen zijn erop gericht de bureaucratische macht van de schoolbesturen te verkleinen en die van ouders en vernieuwingsgezinde leerkrachten en hoofden te vergroten. Het voornaamste gevolg is een toename van het aantal soorten onderwijs dat zwarte jongeren wordt aangeboden.

Rond het thema schoolverbetering blijkt van links tot rechts een verrassende eensgezindheid te bestaan; men is het zelfs vaak eens over specifieke maatregelen ter verbetering van scholen. Schoolverbetering is op het ogenblik populair, en strookt in hoge mate met gangbare theorieën die de nadruk leggen op het investeren in het maatschappelijk kapitaal van het individu: het stimuleren van de schrijf-, lees- en rekenvaardigheid en het aankweken van gewoonten die nuttig zijn voor produktieve arbeid. Dat lijkt nogal een bescheiden doelstelling voor zo'n groot probleem. De grootste verdienste van het plan is dat het de steun geniet van zowel zwarte ouders als politieke leiders en belangrijke beleidsvormende krachten van links tot rechts. Natuurlijk leidt het ook tot debatten over de vraag welke beleidslijnen, welke accenten in het leerplan bij de hervorming voorop zouden moeten staan. De concentratie op het onderwijs als middel tot verandering weerspiegelt het gegeven dat de theoretici ondanks de omvangrijke problemen niet met alomvattende analyses en voorstellen zijn gekomen die algemene instemming afdwingen.

Zwarten in de oude stadswijken bevinden zich in een afschuwelijke situatie, die volgens mij niet zal verbeteren wanneer we vasthouden aan een beleid dat tot grote stromen nieuwe immigranten voert. We hebben geen alomvattende oplossing voorhanden. Hadden we die wel, dan nog zou de politieke wil ontbreken om er de nodige middelen voor te voteren. Amerikanen zijn doorgaans meer geneigd tot individuele oplossingen dan tot maatschappelijke oplossingen. Vroeger was er de trek naar het westen; thans is er de trek naar de tuinsteden. Ik zie voor de Verenigde Staten geen alternatief in de vorm van een omvangrijk nieuw beleid, en dat is misschien wel de reden waarom schoolhervormingen zo aantrekkelijk zijn.

We spreken in de Verenigde Staten vaak over ons rassenprobleem en ons minderhedenprobleem. Maar mijns inziens vallen die problemen in tweeën uiteen; het ene is het oude probleem van de zwarte Amerikaan, die geen immigrant is en die toch nog altijd de minst geïntegreerde van al onze raciale en etnische groepen is. Wat alle anderen betreft: wat hun problemen ook zijn, we hebben ons in het verleden al in staat getoond om hen te integreren in een goed lopende, multiraciale en multi-etnische maatschappij. Met de zwarten is ons dat altijd veel minder goed gelukt. Er is een grote zwarte middenklasse ontstaan. Wat we aan moeten met de problemen van wat we steeds vaker "de onderklasse' noemen is onduidelijk. Er is geen panacee voorhanden; bijna alle middelen zijn in feite wel eens met wisselend enthousiasme geprobeerd en zijn ook thans nog in meerdere of mindere mate van kracht. Op dit ogenblik is onze voornaamste hoop gevestigd op het onderwijs, en op het feit dat we een groot land zijn waar heel veel mensen op een of andere manier hun weg weten te vinden naar een produktief bestaan, zelfs al is een sturende overheid afwezig.

(1) Richard Freeman, "Crime and the Employment of Disadvantaged Youths,' in Urban Markets and Job Opportunity, George E. Peterson en Wayne Vroman (eds.), Washington D.C., Urban Institute Press, 1992.