Het valt niet mee, als vrouw in Marokko

La plage des enfants perdus. Regie: Jillali Ferhati. Met: Souad Ferhati, Mohamed Timod, Fatima Loukili. In: Amsterdam, Desmet; Utrecht, 't Hoogt; Nijmegen, Cinemariënburg.

Door zijn drie lange speelfilms, Het gat in de muur (1978), Aïcha (1982) en La plage des enfants perdus (1991), verwierf regisseur Jillali Ferhati zich de reputatie van de belangrijkste Marokkaanse filmmaker. Ferhati is niet alleen regisseur en schrijver: hij noemt zichzelf "een gefrustreerd schilder', leidt een amateurtoneelgezelschap in Tanger en verzorgt radioprogramma's. Die drie elementen - weerbarstige picturale schoonheid, affiniteit met professionele en niet-professionele acteurs en een grote maatschappelijke betrokkenheid - komen in zijn meest recente film tamelijk harmonieus samen.

Net als in Aïcha, waarin Souad Ferhati, zuster van de regisseur, ook de hoofdrol speelde, is het thema van La plage des enfants perdus (een Marokkaans-Franse co-produktie) het isolement van vrouwen in een door mannen beheerste, repressieve samenleving. Maar zo schematisch als die typering klinkt, is de film niet gemaakt. Het decor is een vissersdorpje met een strand, dat op een vuilnisbelt lijkt. Daar woont Mina, een groot kind eigenlijk nog, met haar vader en haar jaloerse stiefmoeder. Ze wordt per ongeluk zwanger van een passerende taxichauffeur, die haar zo wil achterlaten, wanneer hij weer richting West-Europa vertrekt. Ze smeekt hem met haar te trouwen en slaat hem in wanhoop met een stok tegen het hoofd. De droge, laconiek gefilmde tik blijkt fataal. Er rest haar niets anders dan hem te begraven onder een zouthoop op het strand, in de vage hoop dat niemand hem daar ooit zal vinden. Haar vader sluit haar op en vertelt iedereen dat Mina vertrokken is. De stiefmoeder veinst zwangerschap, uiteraard met de bedoeling zich het kind na de geboorte geruisloos toe te eigenen.

Men zou La plage des enfants perdus neo-realistisch kunnen noemen, omdat een aantal van de rollen door non-professionals vertolkt worden en er een tamelijk uitzichtloos beeld getekend wordt van gewone, arme mensen. Belangrijk zijn echter ook de sobere poëzie van de beelden, de galgehumor en de theatrale vormgeving van het scenario, met een invalide buurman in een kinderwagen, die als een soort van koor de handeling becommentarieert. De ingehouden, eenvoudige stijl, die weldadig is door het vermijden van het op de loer liggende melodrama, heeft ook beperkingen. Ferhati filmt zo terloops en zakelijk dat het soms moeite kost mee te voelen met zijn heldin. Vaak krijg je het idee dat het zo wel echt zal zijn en dat het niet meevalt om als vrouw in Marokko te leven, en misschien ook wel om daar als man voortdurend de schone schijn van kracht, macht en controle op te moeten houden. De film is zo relativerend en genuanceerd, dat de kijker niet ophoudt met begrip op te brengen. Zelfs de stiefmoeder, sinds eeuwen de schurk in volksvertellingen, blijkt aan het slot niets menselijks vreemd te zijn. Wat La plage des enfants perdus mist om een echt grote film te kunnen zijn, valt niet eenvoudig vast te stellen: misschien zou iets meer venijn, en iets minder democratisch begrip voor alle personages hebben kunnen helpen.