ENIG KIND IN CHINA

Tony Falbo: Quantitative Review of the Only Child Literature: Research Evidence and Theory Development. In: Psychological Bulletin, 2, 1986.

Shulan Jiao et al: Comparative Study of Behavioral Qualities of Only Children and Sibling Children in China. In: Child Development, 57, 357-361, 1986.

J Susan Landers: China's one-child push studied by psychologist. In: APA Monitor, februari 1990.

"Alle getrouwde vrouwen in de vruchtbare leeftijd, opgelet! Meld je bij het gezondheidscentrum voor de maandelijkse controle!'' De geluidswagen rijdt door een polderachtig landschap in een Chinese provincie. Het is het openingsbeeld van een Japanse documentaire over het Chinese bevolkingsvraagstuk, die onlangs op de Nederlandse televisie werd uitgezonden.

De internationale belangstelling voor het Chinese geboortebeperkingsbeleid is groot en berust voornamelijk op eigenbelang. De 1,2 miljard Chinezen vormen 22 procent van de huidige wereldbevolking. Ondanks alle maatregelen komen er jaarlijks 16 miljoen bij. Het tekort aan ruimte en voedsel zal zo groot worden dat men in groten getale naar elders op de wereld zal moeten wegtrekken.

Zelden is in het korte bestek van een film zo scherp het dilemma geschilderd tussen algemeen belang en persoonlijke vrijheid. En als kijker word je geconfronteerd met de onaangenaamste want moeilijkste aller keuzen: die tussen twee kwaden. Het onder ogen zien van het ene alternatief leidt tot een vlucht naar het andere en zo wordt men voortdurend heen en weer geslingerd.

Uit de psychologie is bekend dat de meest voorkomende menselijke strategie in zo'n geval is zich aan een keuze te onttrekken. Als Nederlandse kijker kun je je dat permitteren, als Chinese overheid niet. Die moet kiezen tussen enerzijds de enormiteit van overbevolking en anderzijds de vrouwelijke burgemeester en manlijke gemeentesecretaris die op huisbezoek gaan bij een vrouw die niet op het gezondheidscentrum is verschenen - en dus wel stiekem zwanger zal zijn - om vriendelijk, maar indringend net zo lang op haar in te praten tot ze meeloopt naar het centrum voor een abortus. ""Ik ben hier nu al voor de derde keer'' zegt de burgemeester verwijtend. Drie keer een abortus. ""Ik dacht dat de regels op mijn leeftijd niet meer golden'', zegt de vrouw - met haar zoontje van anderhalf op de arm. Maar ze weet dat dat een smoesje is en de burgemeester weet dat ook. De regels zijn immers simpel en hangen overal aan de muur.

Om te mogen trouwen moet een man minstens 25 en een vrouw minstens 23 zijn. Om het eerste kind te mogen krijgen moeten zij minstens twee jaar zijn getrouwd. Soms moeten zij veel langer wachten, afhankelijk van de regio waar zij wonen. Per regio wordt jaarlijks een quotum toegewezen. De getrouwde, vruchtbare vrouwen uit de gemeenschap mogen meepraten wie dat jaar aan de beurt komt. Meestal kiest men dan de oudsten. Als een jongetje wordt geboren is het gezin daarmee voltooid, als het een meisje is mag men na vijf jaar nog eenmaal zwanger worden. Wie buiten deze regels om zwanger wordt, moet zich laten aborteren.

De controle is streng, vooral in de grote steden. Of liever gezegd: de controle is in de grote steden effectiever. Op het platteland kan men de regels makkelijker ontduiken. In afgelegen streken krijgt men zelfs wel drie of meer kinderen. Maar dat zijn - op de oudsten na - zogenaamde "verborgen' kinderen: ze worden niet aangegeven en staan dus nergens geregistreerd. Ze zullen nooit naar school kunnen en ze vallen onder geen enkele volksverzekering. Ouders nemen dat risico, want nu zij onder het enigszins vernieuwde economische systeem een deel van hun oogst zelf mogen verhandelen, is een goede opbrengst van hun land belangrijk en hebben zij werkkrachten nodig. De verborgen kinderen werken, zodra zij kunnen, volledig mee.

In de grote steden is het verbergen van kinderen vrijwel onmogelijk. In Sjanghai zijn wijkcomité's waakzaam om vrouwen in de vruchtbare leeftijd te bespioneren en zo nodig aan te geven. Ieder jong gezin wordt elke twee maanden ter controle bezocht. In een bedrijf werken zeshonderd vrouwen, van wie zeventig procent al een kind heeft. Iedere maand moet men zich melden bij het bedrijfsgezondheidscentrum om de datum van de laatste menstruatie op te geven. Een vriendelijke verpleegster vertelt dat men tot voor enige tijd tijd het maandverband moest komen tonen, maar dat hoeft niet meer, omdat bijna iedereen "nu wel begrijpt dat het nodig is voor ons land om mee te werken'. Zelfs de vrouw die werd ontslagen toen ze als weduwe hertrouwde en van haar tweede man ook een kind wilde, begrijpt eigenlijk wel dat ze weg moest. Ze werkte op een model-afdeling van het bedrijf en zij zou met haar gebrek aan liefde voor haar land een smet op het blazoen zijn geweest.

Je zou denken dat mensen die kinderloos willen blijven zeer worden geprezen, maar zo is het ook weer niet. Yuqin Zhang - een psycholoog van de Universiteit van Beijing en voor een half jaar werkzaam aan de universiteit van Leiden - schreef over een recent onderzoek naar de kritiek die vrijwillig kinderloze paren van hun omgeving krijgen. En die is niet mis, is het niet van de ouders, dan wel van de broers en zusters of van vrienden. De meeste negatieve opmerkingen zijn trouwens afkomstig van collega's. Er worden ook nogal wat grappen gemaakt over zulke paren. Wat dat betreft werkt de culturele opvatting van eeuwen her - hoe meer kinderen des te meer respect, minachtig voor de kinderlozen - nog steeds door. Toen Mao vanaf 1949 propageerde dat er veel meer kinderen geboren moesten worden om het land - toen een half miljard inwoners - nog machtiger te maken, paste dat dan ook geheel bij de oude opvattingen. En nu men radicaal moet beperken, moet er toch minstens wel één kind komen.

Dat ene kind spreekt in het westen internationaal tot de verbeelding. Misschien doordat ten onzent zoveel stereotiepe ideeën bestaan over enig kinderen. Ze zijn zielig, eenzaam, verwend, lopen kans erg egostisch te worden en kunnen slecht met andere mensen omgaan. Alle resultaten van psychologische onderzoeken die dit weerspreken hebben het traditionele beeld niet uit de wereld kunnen helpen en het is nog steeds het belangrijkste motief dat mensen geven als zij zeggen dat ze graag een tweede kind willen.

De Amerikaanse Tony Falbo doet al sinds 1974 onderzoek onder enig kinderen en stelt iedere keer vast dat zij eerder coöperatiever dan concurrerender zijn als men hen met andere kinderrij-kinderen vergelijkt. Zij verklaart dit uit het feit dat zij als kind niet hebben geleerd dat je voor anderen - je broertje of zusje - op je hoede moet zijn, omdat ze pesterig het lekkerste hapje van je bord pikken of altijd proberen het allerlekkerste hapje - vaders en moeders aandacht - voor zich op te eisen. Tony Falbo heeft nu ook in China grote onderzoeken lopen, deels in opdracht van de UNESCO, deels vanwege het Amerikaanse National Institutes of Health. Dat laatste is genteresseerd in mogelijkheden het Chinese program over te nemen voor de armste bevolkingsgroepen in de Verenigde Staten. Het is opvallend dat men daarbij kennelijk vooral genteresseerd is in het enig-kind-aspect, en niet in die andere en misschien wel belangrijkere psychologische vraag: of het voor de handhaving van de regels beter is straf te hanteren dan wel beloning. In de psychologie geldt dat beloning voor het goede gedrag effectiever is dan straf voor het verkeerde, vooral als die beloning niet in àlle gevallen wordt gegeven en een zeker verrassingselement houdt. In China hanteert men echter voornamelijk straf. Wie zich niet laat aborteren krijgt in Sjanghai voor het tweede kind een boete van drie maal het jaarsalaris, in de provincie is het een of twee keer een jaarsalaris en men kan worden ontslagen. Beloningen zijn schaars. Als men zich na de geboorte van het eerste kind laat steriliseren, leidt dat in sommige regio's tot voorrang bij plaatsing in een crèche en een enkele keer krijgt men een extra kamer toegewezen in de woning. Het zou in iedere geval de moeite waard zijn te experimenteren met een op beloning gericht beleid.

Het psychologisch onderzoek houdt zich echter bezig met de verwende "kleine keizertjes', een nieuw negatief gekleurd stereotype, dat iedereen in de mond neemt. Volgens Zhang valt het echter wel mee. De kinderen krijgen inderdaad veel cadeaus: ""Op zaterdag- en zondagavond zie je veel ouders met hun enig kind op de fiets en een electronisch orgel op hun nek.''

Maar hij vat dit meer op als een tijdelijk verschijnsel. De ouders van nu waren zelf jong tijdens de Culturele Revolutie en hebben hun talenten niet kunnen gebruiken, omdat ze moesten werken op het land. Daarom willen ze hun kind nu alle mogelijkheden geven om zich te ontwikkelen en kopen een muziekinstrument, een computer, een camera enzovoort. Op basis van zijn eigen onderzoek heeft hij bovendien de indruk dat goede crèches een tegenwicht vormen voor een al te grote ouderlijke en grootouderlijke aandacht en zorg voor dat ene kleine mannetje.

Wat ik in die discussies overigens mis is het nadenken over het feit dat de enig kinderen inderdaad vrijwel allemaal jongetjes zijn en dat meisjes vrijwel altijd een broertje of zusje hebben, en wat dat voor de man-vrouw verhoudingen gaat betekenen.

    • Rita Kohnstamm