Derde wereld hard getroffen door uitblijven Gatt-akkoord; Textiel en landbouw zouden veel winnen bij vrijer handelsregime

ROTTERDAM, 5 NOV. Het mislukken van het overleg tussen de EG en de VS over de landbouwsubsidies, en daarmee het uitstel van een akkoord over vrijere wereldhandel in het kader van de Gatt, betekent voor de ontwikkelingslanden een enorm verlies aan potentiële inkomsten.

Volgens schattingen van onder meer de Wereldbank kan de exportwaarde van ontwikkelingslanden met 15 procent ofwel ruim 100 miljard dollar stijgen, indien de EG, de VS en Japan hun protectionistische, importbelemmerende maatregelen in het kader van de GATT-onderhandelingen met de helft zouden reduceren. Dat is meer dan de gemiddeld 75 miljard dollar aan mondiale hulp die de Derde wereld jaarlijks ontvangt. De totale exportopbrengst voor de ontwikkelingslanden bedroeg in 1990 ongeveer 950 miljard dollar.

Van de groei zou de helft naar Azië gaan en 20 procent naar Latijns Amerika. Voor de overige Derde-wereldlanden, met name de armste landen in Afrika, blijft de groei beperkt tot 4 à 5 procent. Dat laatste is te wijten aan het feit dat deze landen vooral grondstoffen exporteren, die nauwelijks hinder ondervinden van importbeperkingen in de industrielanden. Importtarieven stijgen naarmate produkten een verdergaande bewerking hebben ondergaan, om zo de Westerse industrie te beschermen. Bovendien vallen veel produkten uit deze landen onder de bescherming van de Lomé-Conventie, dat bepaalde produkten uit ex-koloniën in Afrika en het Caraïbisch gebied gemakkelijker toegang krijgen tot de EG-markt.

Vooral textielproducenten zouden gebaat zijn bij afschaffing van handelsbarrières in het Westen. De textielsector is een van de belangrijkste industrieën in de Derde Wereld en tevens een van de meest beschermde industrieën in het Westen. Om de noodlijdende textielsector in het Westen te beschermen tegen goedkope import uit de Derde Wereld werd in 1974 het Multi-Vezelakkoord (MVA) ingesteld, dat de textielimport uit de Derde Wereld door middel van quota aan banden legt. Volgens de Wereldbank was in 1990 ruim 65 procent van alle kleding- en textielexport uit de Derde Wereld onderworpen aan Westerse handelsbeperkingen.

Het concept-GATT-akkoord, dat in december vorig jaar werd gepresenteerd door directeur-generaal Arthur Dunkel maar dat door het mislukken van het landbouwoverleg tussen de EG en de VS nog steeds niet kan worden ongezet in een definitieve overeenkomst, voorziet in een geleidelijk afschaffing van het Multi-Vezelakkoord. In tien jaar tijd moeten de belemmeringen zijn opgeheven, waarvan de helft in de laatste drie jaar. Grote verliezers bij afschaffing van het MVA zullen Westerse producenten als Italië en Spanje zijn, die nu nog goed worden beschermd door het MVA. De textielindustrie in Azië daarentegen zal naar schatting 60 procent groeien.

De ontwikkelingslanden zijn overigens verdeeld over afschaffing van het MVA. Belangrijke textielproducenten als Hongkong en India beschouwen het MVA als een garantie voor de afzet van een bepaalde hoeveelheid textiel en een beschermende factor tegen opkomende concurrentie uit andere Derde-wereldlanden.

Met de potentiële groeicijfers voor ogen is het nauwelijks verwonderlijk dat de ontwikkelingslanden over het algemeen positief hebben gereageerd op het concept-GATT-akkoord. Dit ondanks het feit dat daarin meer concessies dan ooit van de ontwikkelingslanden worden gevraagd in ruil voor lagere importbarrières in het Westen. Zo wordt van de ontwikkelingslanden verlangd dat de door hen vastgestelde importtarieven voor Westerse produkten niet meer worden verhoogd en dat zij importquota omzetten in importtarieven om concurrentie vanuit het buitenland beter mogelijk te maken. Immers, tarieven werken minder remmend op buitenlandse concurrenten dan importquota. De ontwikkelingslanden krijgen wel meer tijd en hulp om te voldoen aan deze verplichtingen. Alleen de vijftig minst ontwikkelde landen, met als belangrijkste woordvoerder Bangladesh, worden bijna geheel vrijgesteld van verplichtingen.

Hoewel de ontwikkelingslanden over het algemeen veel hogere importtarieven kennen dan de industrielanden, heeft de Westerse wereld zich wel buitengewoon creatief getoond in het verzinnen van andersoortige importbelemmeringen. Zo kennen de rijke landen anti-dumping maatregelen, tegenmaatregelen in geval van oneerlijke handel en "vrijwillige' exportbeperking (min of meer opgelegd door het Westen aan ontwikkelingslanden). Vooral Canada en de VS kennen veel anti-dump- en tegenmaatregelen. De EG loopt voorop wat betreft vrijwillige exportbeperkingen, vooral tegen ontwikkelingslanden. Een nieuw Gatt-akkoord maakt het minder eenvoudig om exportbeperkingen op te leggen.

Veel ontwikkelingslanden zijn reeds in de jaren '80 begonnen met het gedeeltelijke opheffen van handelsbelemmeringen. Dit gebeurde ten dele onder druk van het IMF, dat economische hervormingen eist van landen die leningen aanvragen. Onder die aanpassingen valt ook verbetering van de concurrentiepositie (openstelling van de markt). Maleisië bijvoorbeeld verving zijn importquota in 1986 door importtarieven. Veel Zuidamerikaanse landen hebben vrijwel alle importquota opgeheven en de tarieven verlaagd, evenals Gambia, Ghana, Kenia en Zaire. Polen, Hongarije en Tsjechoslowakije zullen de importtarieven in de komende tien jaar verlagen.

De kosten van protectionistische maatregelen zijn buitengewoon hoog. Dat is niet alleen nadelig voor de ontwikkelingslanden, maar ook voor de Westerse consument, die door de hogere importheffingen veel meer moet betalen voor een produkt. Enkele voorbeelden: de EG schat dat de prijs van geimporteerde kleding door het MVA 30 tot 40 procent is gestegen. Het Noord-Zuid-instituut in Canada berekende dat de totale kosten van alle importbeperkende maatregelen die Canada kent uitkomen op 650 miljoen gulden. Voor het uitvoeren van het protectionistisch beleid heeft Canada jaarlijks 6.000 mensen nodig. De Wereldbank schat dat bescherming van de eigen rijstproduktie Japan in 1980 2,9 miljard dollar heeft gekost. De EG was in 1989, behalve vele miljarden aan andere landbouwsteun, 18 miljard gulden kwijt aan exportsubsidies. Volgens het International Food Policy Research Institute zal de exportwaarde van 56 ontwikkelingslanden jaarlijks met 3 miljard dollar stijgen als de Oeso-landen (de 24 rijkste industrielanden) hun handelsbarrières in de landbouwsector met 50 procent verminderen. Dit zou vooral ten goede komen aan producenten van suiker, oliehoudende zaden en vlees. Wat betreft de agrarische sector gaat het Gatt-akkoord meestal echter niet verder dan een vermindering van de handelsbelemmeringen met 25 procent.

Ondanks het wijd verbreide protectionisme van de Westerse landen is het aandeel van produkten uit de Derde wereld in de industrielanden in de jaren tachtig heel licht gestegen, volgens de Unctad: van 2,4 procent in 1980 tot 3,1 procent in 1988. Voor de ontwikkelingslanden ligt de wereldmarkt dus nog goeddeels open.