De blokhak als noodzakelijk verlengstuk van het lichaam

Monotoon dreunt een heipaal op het asfalt van het Weena, alsof een reus zijn avondwandelingetje maakt langs de Rotterdamse glasboulevard.

Woensdagavond half elf. Het Doelen-publiek haast zich naar het Centraal Station, een enkele voetbalsupporter hangt bij de bushalte. Twee uur lang hebben Julia Veres en Jan Jansen in de nabijgelegen zaal De Unie met overgave gezocht naar woorden bij hun schoenontwerpen, terwijl een groepje design-intimi (schoenen, brillen en anderszins) vanaf de tribune probeerde daar een les uit te trekken. Dus wilden ze horen hoe Jansen zich door de schoenfabrikanten laat betalen: per uur of op basis van royalties? Waar hij nog een fabriek vindt die zijn eigen collectie uitvoert? (Steeds moeilijker. In Italië, zes jaar terug nog een paradijs, is vrijwel geen ambachtelijke schoenfabrikant meer over.) En hoe hij modellen tegen diefstal beschermt? ("Tja, uhm...'; nou ja, door ze te fotograferen en meteen in een schoenenvakblad te publiceren.)

Pas wanneer deze bijeenkomst van de Kring Industriële Ontwerpers (KIO) wordt besloten en de toehoorders op straat staan, komt het thema van de avond met denderend mechanisch gehamer tot leven: "De opmars van de plateauzool' - in Rotterdam hebben ze sinds 1945 nooit iets anders gehoord.

Jan Jansen en Julia Veres, die elf jaar geleden vanuit Hongarije naar Nederland kwam en pas na verschillende omwegen haar liefde voor schoenen ook in ontwerpen omzette, kwamen er in hun verhalen nauwelijks op terug. Soms kloste er op de dia's een buitenmodel zool voorbij. En Jan Jansen liet een hooggehakte, zeer hoge plateaupump zien, waarvan hij zijn fabrikant destijds alleen het bovenwerk durfde te laten maken, uit angst voor represailles tegen de blokken eronder. Maar in beider werk is het hooguit een symptoom van de extremiteiten die ze zich permitteren, geen essentieel verschijnsel.

Veres ziet de schoen het liefst als een noodzakelijk verlengstuk van het lichaam, een steuntje in een bij voorbaat verloren strijd: “De mens is topzwaar, dus op twee voeten lopen is toch al een riskante onderneming”. Schoenen moeten het allemaal wat draaglijker maken, zowel fysiek als emotioneel. In Veres' eigen werk komt dat tot uiting in een haast maniakale aandacht voor details en afwerking. Vijftig tot tachtig uur werkt ze aan één paar. Alleen een theatergezelschap kon zich tot nu toe zo'n aanschaf veroorloven. Als tijdelijk verkoopster in de winkel van Jan Jansen zag ze hoe het ook anders kon: een Finse dame, maat 42, die alles kocht wat er in die maat beschikbaar was, veertien paar tegelijk.

Het was het contrast tussen de beginner en het geslaagde voorbeeld dat de avond zo aardig maakte. Veres met haar zacht Hongaarse tongval en haar bescheiden collectie schoenjuweeltjes. En Jansen, de professional zonder routinegebaren, die lachend constateert dat hij altijd dezelfde eigenwijs is gebleven. Ze delen hun beheersing van het ambacht, hun liefde voor het onaangepaste idee en ze storen zich in hun passie zelden aan de opkomst van een modetrend. Plateauzolen of naaldhakken; het doet er niet veel toe. “Daarom lukt het in Amerika niet,” zegt Jansen, “ik ben niet plat en ik ben niet hakken, en dan begrijpen ze het niet.” Als het aan hem had gelegen had de avond net zo goed "De wraak van de steunzool' kunnen heten.