Succesvolle afronding van Gatt-overleg was binnen handbereik; Ruzie tussen VS en EG zet wereldhandel op het spel

ROTTERDAM, 4 NOV. Voor de diplomaten en ambtenaren die in Genève onderhandelen over liberalisering van de wereldhandel moet het een bittere ervaring zijn. Na ruim zes jaar onderhandelen was men dichter dan ooit bij een alomvattend wereldhandelsakkoord in het kader van de GATT (Algemene Overeenkomst over Tarieven en Handel). Het moest volgens een bij de GATT betrokken topambtenaar “wel heel gek lopen” als een akkoord uitbleef.

Toch liep het bij het landbouwoverleg in Chicago tussen VS en EG stuk op een miljoen ton oliehoudende zaden. Het uitzicht op de voltooiing van de meest ambitieuze handelsronde sinds de totstandkoming van de GATT in 1947 is nu zwaar vertroebeld. De verkiezing van Clinton tot president van de VS, wiens Democratische partij op het gebied van de handel een minder liberale traditie heeft dan de Republikeinen van Bush, maakt het perspectief er niet beter op.

De wereldhandel van jaarlijks zo'n 4.000 miljard dollar aan goederen en diensten is in het geding. De extra impuls van 200 miljard dollar per jaar die uit de liberalisering zal voortvloeien, is nog steeds een aanlokkelijk perspectief juist nu de wereldeconomie in een recessie dreigt te geraken.

In de multilaterale onderhandelingen moesten nog maar enkele problemen worden opgelost. De directeur-generaal van de GATT, de Zwitser Arthur Dunkel, presenteerde vorig jaar december een gedetailleerde ontwerp-overeenkomst van ruim vierhonderd pagina's.

De zogenoemde "Uruguay-ronde' ging in 1986 van start in het Uruguayaanse Punta del Este. Door de grote variatie aan onderwerpen stond van te voren al vast dat het een uiterst moeizaam onderhandelingsproces zou worden. En die voorspelling is ruimschoots uitgekomen. In Punta del Este hadden de handelsministers van de bij de GATT aangesloten landen nog afgesproken dat de handelsronde “binnen vier jaar” moest zijn voltooid.

Bij eerdere handelsrondes, zoals de Kennedy- en Tokio-ronde in de jaren zestig en zeventig, stond alleen de handel in industriële goederen op de agenda. Bovendien ging het vrijwel uitsluitend over de vermindering van importtarieven en kwantitatieve importbeperkingen. En het aantal bij de onderhandelingen betrokken landen was geringer dan de huidige 108. Toch duurde de Tokio-ronde nog zes jaar, van 1973 tot 1979. Olie- en dollarcrisis bepaalden toen het moeizame klimaat voor handelsliberalisering.

In de Uruguay-ronde staat de totale wereldhandel op het spel. Ook zaken die indirect van invloed zijn op een vrije wereldhandel, zoals buitenlandse investeringen, openbare aanbestedingen, dumping en intellectuele eigendom (octrooien) moeten in een nieuwe handelsovereenkomst worden opgenomen. Ook moet de regeling van handelsconflicten worden verbeterd.

Waarom hebben de handelsblokken zich deze ambitieuze doeleinden gesteld? Een van de redenen is de toegenomen complexiteit van de wereldhandel, onder meer door de grotere rol van multinationals en financiële instellingen. Ook de opkomst van "managed trade' vergroot de noodzaak tot een brede aanpak. Veel landen hebben onderlinge afspraken gemaakt over “vrijwillige exportbeperkingen”, waarbij de sterkste altijd zijn wil aan de zwakste kan opleggen.

De Verenigde Staten waren in 1986 de drijvende kracht achter de Uruguay-ronde. Washington zag in liberalisering van de handel in agrarische produkten (lees: de afbraak van de EG-landbouwsubsidies) een belangrijke mogelijkheid voor expansie van de landbouwexport (vooral graan). Om dezelfde reden pleitten de Amerikanen er ook voor de handel in diensten (totale omvang 800 miljard dollar per jaar) op de agenda te plaatsen. Er zouden immers grote mogelijkheden liggen voor bijvoorbeeld de Amerikaanse financiële sector en telecommunicatie. Opvallend genoeg werden de VS terughoudender naarmate de onderhandelingen vorderden, terwijl de EG voor het eigen bedrijfsleven steeds meer de voordelen van een vrijer dienstenverkeer ging zien. Op dit terrein moeten nog enkele knopen worden doorgehakt.

De onderhandelingen over het dienstenverkeer zijn nogal complex door het uiteenlopende karakter van sectoren als bankwezen, verzekeringen, scheepvaart, luchtvaart, posterijen, telecommunicatie. Een belangrijke doorbraak is in Genève al bereikt sinds de VS voor het dienstenverkeer het algemene GATT-principe van "meest begunstigde natie' hebben aanvaard. Dit beginsel houdt in dat een handelsvoordeel dat aan één land wordt toegestaan, aan alle handelspartners moet worden gegeven.

De reden voor enige Amerikaanse terughoudendheid is dat Washington vindt dat de eigen markt opener is dan die van veel potentiële handelspartners. De VS kijken daarom met belangstelling uit naar de voorstellen voor de openstelling van de thuismarkt die een aantal landen nog op tafel moet leggen. Onder hen zijn met name Japan en Zuid-Korea van belang. Zij hechten om binnenlands politieke redenen onder meer aan bescherming van hun financiële sector. De EG heeft al een door ingewijden als "ruim' omschreven bod gedaan.

Tot een volledige vrijmaking van het dienstenverkeer zou het bij een eventueel nieuw handelsakkoord overigens niet komen. De handel in telecommunicatie-apparatuur kan worden geliberaliseerd, maar voor telefoondiensten is dat onmogelijk omdat met uitzondering van de VS overal elders staatsmonopolies de dienst uitmaken. De luchtvaart met zijn talrijke bilaterale afspraken over landingsrechten blijft ook buiten schot, al is er in Genève sprake van om de handel in bepaalde vormen van dienstverlening (bv. de afhandeling van passagiers) wel vrij te maken. Met een "open sky' voor de hele wereld zou te veel overhoop worden gehaald. De VS willen ook uitzonderingen voor de scheepvaart. Buitenlanders zouden straks niet zonder meer vracht tussen Amerikaanse havens kunnen vervoeren. Daarentegen zou voor buitenlandse wegvervoerders wel de mogelijkheid worden geopend om transporten tussen bijvoorbeeld New York en Boston te verzorgen, zoals Amerikanen tussen Rotterdam en Milaan zouden kunnen rijden.

Van groot belang voor de betrekkingen tussen de grote handelsblokken, alsook voor ontwikkelingslanden, zijn de maatregelen tegen dumping. De EG en de VS maken er veelvuldig gebruik van, bijvoorbeeld als het gaat om Japanse elektronica. In het ontwerp-akkoord van Arthur Dunkel zijn duidelijker criteria neergelegd over het vaststellen van de schade, die een bepaald land van dumping-praktijken ondervindt. Tegelijk worden regels gesteld om te verhinderen dat landen die zich aan dumping schuldig maken, de anti-dumpingheffingen omzeilen, bijvoorbeeld door assemblage van het eindprodukt met onderdelen uit derde landen. Dit laatste is een tegemoetkoming aan de EG en de VS.

Ook over de onderwerpen waar ontwikkelingslanden groot belang bij hebben, is in Genève al een grote mate van overeenstemming bereikt. Ontwikkelingslanden houden volgens het ontwerp-akkoord het recht voorwaarden te stellen aan buitenlandse investeringen, bijvoorbeeld over het aandeel van de lokale toeleveringen en technologie-overdracht. De export van textielprodukten wordt na een overgangsperiode van tien jaar in het GATT-systeem ingepast, dat wil zeggen dat de in het Multi-vezelakkoord vastgelegde exportquota's dan zijn verdwenen.

Namaak van allerlei produkten wordt aangepakt. Vooral veel ontwikkelingslanden maken zich schuldig aan schending van octrooien en merkrechten. Om de arme landen tegemoet te komen wordt een overgangsperiode in acht genomen. Zo mogen deze landen volgens het ontwerp-akkoord van Dunkel nog tien jaar lang gepatenteerde Westerse geneesmiddelen kopiëren om zo hun arme bevolking van goedkope medicijnen te voorzien.

Om de markttoegang voor alle GATT-partners te verbeteren is het streven in de Uruguay-ronde erop gericht alle importtarieven met zo'n 30 procent te verminderen, waarbij eerst de non-tarifaire belemmeringen worden omgerekend. Maar in Genève was men er nog niet helemaal uit. De EG wil een verlaging "across the board', dat wil zeggen dat piektarieven het scherpst omlaag moeten. De VS willen echter een voorzichtiger aanpak van voor hen "gevoelige' sectoren zoals textiel en schoeisel.

Zeker zo belangrijk in de Uruguayronde is de versterking van de GATT zelf. Zo moet er volgens het ontwerp-akkoord een speciaal orgaan komen om handelsconflicten te beslechten. Door verscherping van de GATT-regels en verkorting van termijnen moeten ruzies sneller en effectiever worden afgewikkeld.

De Uruguay-ronde is niet alleen op het terrein van de landbouw door de EG en de VS gedomineerd. Een machtige handelsnatie als Japan heeft zich steeds opvallend afzijdig gehouden. De verwachting was dat Tokio na een landbouwakkoord tussen de EG en de VS wel over de brug zou komen bijvoorbeeld door import van rijst toe te staan. “De Japanners wachten wegens hun cultuur van consensus liever af totdat derden een beslissing afdwingen”, zegt een topambtenaar.

Sinds de ministersbijeenkomst in 1986 in Punta del Este hebben steeds meer landen zich tot economische liberalisering bekeerd, daartoe overigens nadrukkelijk uitgenodigd door het Westen. Het is niet voor niets dat ook de laatste Latijnsamerikaanse landen, waaronder Mexico en Venezuela, zich intussen bij de GATT hebben aangesloten. Hetzelfde geldt voor Oost-Europa en een hele reeks ontwikkelingslanden. Zij kunnen weinig anders doen dan langs de zijlijn blijven wachten tot het de EG en de VS belieft hun landbouwconflict bij te leggen.