Regering en werkgevers zijn verkeerd bezig

De gebedsmolen van de "loonmatiging' draait weer dag en nacht. Als het niet de ministers zijn, dan zijn het wel de werkgevers die om het hardst deze ene litanie herhalen: kan de loonstijging volgend jaar niet één of anderhalf procent lager uitkomen? En gaat hun niet aflatende smeekbede in vervulling, dan zal volgend jaar het kostenpeil in Nederland volgens een recente berekening van de Schweizerische Bankgesellschaft niet 21 procent lager liggen dan in de Bondsrepubliek, onze voornaamste handelspartner en concurrent, maar 22 procent.

Is dat nu een doel van zo'n extreem belang dat de hele Haagse wereld wekenlang over niets anders spreekt zodat het gewone proces van regeren tot stilstand komt? Of staat - zoals Het Financieele Dagblad dat vorige week zo prachtig uitdrukte - de alarmbel van de Nederlandse economie wel erg scherp afgesteld? Het zou overigens te denken kunnen geven dat juist de krant van het kapitaal waarschuwt tegen de kunstmatige Haagse opwinding. Die gaat niet alleen over de loonmatiging; er is ook nog paniek over de Rijksbegroting. De laatste opvatting in Den Haag is dat de ministers anderhalf tot twee miljard moeten bezuinigen op de uitgaven voor 1993, zodat de begroting in overeenstemming blijft met de afspraken voor het financieringstekort. Om ook dat bedrag even in het juiste perspectief te plaatsen; als minister Kok zo verstandig zou zijn om de huidige begroting te handhaven en hij dus twee miljard extra zou moeten lenen, betekent de extra rente een jaarlijkse uitgavenpost van 150 miljoen gulden. Aan de andere kant heeft de minister echter al een potentiële winst van 3 miljard per jaar (dus twintig keer zoveel) geboekt wegens de rentedaling in Duitsland en Nederland die leidt tot lagere lasten op de totale staatsschuld.

Ministers zouden beter rustig kunnen blijven en zelfs is het maar de vraag of werkgeversvoorzitter Rinnooy Kan zijn leden wel zo'n groot plezier doet door de eindeloze mantra's over loonmatiging. Want wat is nu echt belangrijk voor de toekomst van de Nederlandse economie: of onze loonkosten 22 in plaats van 21 procent liggen onder die in Duitsland, of dat over vijf jaar niet alleen Frankfurt, Keulen en Düsseldorf aan een hoge snelheidslijn liggen, maar ook Rotterdam, Schiphol en Amsterdam? Onze nationale luchthaven voert een verbeten strijd om mee te blijven doen in de Europese top-vier en daarvoor is het essentieel dat minister Maij-Weggen geen week verliest met ronddraaien in de draaimolen van minuscule aanpassingen in de begroting, maar zo snel mogelijk zorgt dat onze pensioenfondsen op zinvolle wijze kunnen bijdragen aan de financiering van de HSL.

Zo heeft iedere minister wel één of meer onderwerpen bovenaan de departmentale agenda die natuurlijk moeilijker en controversiëler zijn dan de clichématige pleidooien voor loonmatiging, maar toch veel belangrijker voor de toekomstige kracht van onze samenleving. Economisch beleid moet gaan over het verbeteren van de groei, niet over paniekerig bijstellen van de begroting. Zo zou minister Kok beter kunnen werken aan het afschaffen van de vermogensbelasting, in plaats van weken tijd te verliezen aan deliberaties over het openbreken van CAO's. Minister De Vries zou eindelijk eens een beslissing kunnen nemen over het lot van de WAO'ers die nu bijna anderhalf jaar in onzekerheid verkeren. Minister d'Ancona zou met collega's Dales en De Vries leiding kunnen geven aan een actieplan om de computers van de sociale diensten te koppelen aan die van uitkeringsinstanties en arbeidsbureaus, niet alleen om miljarden te besparen op ten onrechte betaalde uitkeringen, maar ook om Nederlanders weer het gevoel te geven dat de sociale verzorgingsstaat ook zorgvuldig en rechtvaardig is.

Minister Ritzen zou na alle persberichten over heibel tijdens colleges nu kunnen doorzetten dat de geschatte 30 procent van alle eerstejaars studenten die helemaal niet serieus zijn vlug verdwijnen van de universiteiten en het studeren niet vergallen voor de overige 70 procent die wel ambitieus zijn. Dan blijven onze universiteiten met een vijfjarig programma concurrerend met die in Duitsland waar studenten twee of drie jaar langer rondhangen; opnieuw een zaak van veel groter gewicht dan de vraag of onze lonen nu 21, 22 of 23 procent onder de Duitse liggen. Minister Bukman zou kunnen spreken met de varkensfokkers in Brabant en harder werken aan een oplossing voor het mestoverschot.

Dáár hebben wij ministers voor: om beleid te maken, betere wetten voor te stellen, en misstanden op te ruimen. Maar daarbij stuiten politici op verdedigers van de status-quo en dus ontdekken ze dat het veel eenvoudiger is om een flink deel van iedere herfst te vullen met pleidooien jegens sociale partners om over te gaan tot loonmatiging. Het is vluchtgedrag, goed te begrijpen vanuit het korte termijn eigenbelang van de politici, maar beslist niet in het belang van onze economie. Want hoe langer ministers hun echte werk laten liggen wegens de opwinding over één of anderhalf procent loonmatiging, des te lager wordt de kwaliteit van de beslissingen die dan in grote haast moeten worden genomen.

Tegelijkertijd zal de winst van de loonmatiging, als het al lukt om bestaande CAO's open te breken, waarschijnlijk maar van tijdelijke aard zijn. Bij een volgende gelegenheid zullen de vakbonden zich wantrouwiger opstellen en proberen de loonsverhoging binnen te halen aan het begin van de contractperiode in plaats van gespreid over alle jaren van een meerjarige CAO. Het zal trouwens moeilijk worden om meerjarige CAO's af te sluiten, omdat werknemers met recht zullen vrezen dat een regering die ingrijpt in 1992, dat in 1993 of 1994 wellicht nog een keer wil proberen. Alle voordelen van meerjarige CAO's - minder arbeidsonrust, grotere voorspelbaarheid van de nominale kosten - zetten kabinet en werkgevers op het spel met hun kortzichtige voorstel om bestaande contracten open te gaan breken. De vakbeweging zal haar conclusie trekken en geen langlopende contracten meer willen afsluiten. Dat is dan de povere oogst van een slecht besteed najaar.