Overtuigend portret van kwetsbare Nieuwe Kunstschool; 'Bauhäusler' in Amsterdam

Expositie: Nieuwe Kunstschool. T/m 22 nov. Stedelijk Museum Amsterdam.

In het Stedelijk Museum zijn de vitrines ontruimd voor de legende die Nieuwe Kunstschool heet. Opgericht door Paul Citroen en de kunstschilder Charles Roelofsz (die zich spoedig terugtrok) in 1933, het jaar dat het Bauhaus zijn deuren moest sluiten op last van de Nazi's, zou ze blijven functioneren tot 1943, toen invallen door de Duitsers verdere activiteiten onmogelijk maakten.

De naam "Kunstschool' is misleidend, Citroen zag niets in academies die "kunst' onderwijzen. In plaats daarvan wilde hij grondbeginselen bijbrengen en voorwaarden scheppen om de creativiteit vrij te laten gedijen. Zijn anti-academische instelling werd gekoesterd door zulke verlichte geesten als de latere Stedelijke Museum-directeur Sandberg en bezocht door leerlingen als Benno Premsela, Jan Bons, Otto Treumann en Jettie Olivier, mensen die na de oorlog toonaangevende ontwerpers zouden worden.

Geworteld in die actualiteit, was het een Amsterdamse onderneming op eigen kracht, zonder overheidssubsidie. De leerlingen betaalden hun leraren, die op hun beurt de kosten voor de huur van het lokaal, reclamecampagnes, warmte en licht op zich namen. Aparte werkplaatsen waren er niet, tot nadeel van de afdelingen fotografie en binnenhuisarchitectuur.

Deze constructie maakte de school zo flexibel als een vederlicht opklapmeubeltje, maar ook net zo kwetsbaar. Enerzijds konden de leerlingen zich tegoed doen aan de geest van het internationale modernisme uit de bagage van de veelal joodse emigranten onder de docenten en hun vrienden: Paul Citroen zelf, die als ex-Bauhausstudent tekenen gaf, en zelfs Johannes Itten die één cursus heeft gegeven. Verder de Hongaren Alexander Boden (architectuur) en Eva Besnyö (fotografie), de Duitse Helen Ernst (mode) en nog twee gewezen Bauhausstudenten. Paul Guermonprez (fotografie en Hajo Rose (reclame). Bons noemt deze laatste de enige docent die er een lesboek op na hield, en wel van de leerstellige typograaf Jan Tschichold. Rose gold als de meest dogmatische "Bauhäusler', wat op zijn foto in het Stedelijk moeiteloos valt af te lezen van zijn programmatische reversloosheid en stugge "Bauhausfrisur'.

Maar solide was dit instituut - dat in de tien jaar van zijn bestaan zo'n vijf keer moest verhuizen - niet, en de financiële basis bleef zwak. Om de NK in stand te houden moesten alle middelen aangegrepen worden, tot aan het schoolfeest toe. Hajo Rose zelf maakte de uitnodiging voor het Driestuiversbal (1936) waarop een kennelijke dadaboekhouder-in-crisistijd ons de entreeprijs voorrekent: "3 stuivers gas en electriciteit; 3 stuivers centrale verwarming; 3 stuivers stroomend water (koud en warm); 3 stuivers voor de goede orde en 3 stuivers voor de anti-lawaai-liga'. Het is een staaltje van nooddruft dat zijn weerklank heeft gekregen in de karige inrichting van de tentoonstelling: schragentafels en hanglampen, precies als destijds in de Nieuwe Kunstschool zelf.

De kern van die kleine tentoonstelling wordt gevormd door schoolwerk, lesvoorbeelden van docenten en werkstukken van studenten. Uit het Bauhauslaboratorium van Rose stammen vellen vol geometrische letters en ontledingen van kleuren, stoffen en structuren, elementaire oefeningen voor het functioneel ontwerpen. Overigens absorbeerde zelfs deze meest functionalistische afdeling nog wel andere invloeden, getuige de bijna surrealistische stilleven studies van Otto Treumann en Jettie Olivier.

Daarnaast zijn er schetsen van andere afdelingen, zoals het ontwerp voor een magere tuinstoel van de afdeling van Alexander Boden (Benno Premsela, 1939), of, van de mode-afdeling, een uit het leven gegrepen textielmotief van pannen, kannen en snijplanken (Helen Ernst of leerling, ca. 1938). Wat dat betreft blijft de fotografie-afdeling enigszins achter. Hoe mooi het getoonde werk, met name van vakdocent Guermonprez, ook zijn mag, over de experimentele lesopdrachten geeft het geen informatie.

Een zekere informatieschaarste kenmerkt de hele opzet van de tentoonstelling. Werk van de minder succesvolle leerlingen, die er toch ook geweest moeten zijn, en van docenten uit de latere fase (Lex Metz en Nicolaas Wijnberg) ontbreekt, terwijl de meest substantiële catalogustekst twintig jaar geleden al elders werd afgedrukt. Daarmee hebben de samenstellers Ada Stroeve en Hripsimé Visser de locale legende van de Nieuwe Kunstschool, als avantgardistische kweekvijver van uitsluitend uitstekende studenten, intact gelaten. Dat neemt niet weg dat de tentoonstelling een voortreffelijke smaakmaker is, een overtuigend portret van een stimulerend instituut in bewogen jaren. Hoe belangrijk deze periode voor de deelnemers is geweest bleek opnieuw tijdens de opening: feitelijk een reünie van geestdriftige oud-studenten, een halve eeuw na hun afscheid van de school.