Kuifjes nieuwste vijand

In zijn lange, roerige leven heeft de dappere reporter Kuifje al met heel wat lelijke schurken afgerekend. Maar of hij ook zijn nieuwste vijand, Leon Degrelle, de baas kan is de vraag.

Enige weken geleden maakte de Sunday Times bekend dat de voormalige SS-officier Degrelle een boek heeft geschreven waarin hij onthult dat hij model heeft gestaan voor de stripfiguur Kuifje. Ter ondersteuning van zijn stelling voert Degrelle aan dat hij in de jaren twintig goed bevriend was met Hergé, de geestelijke vader van Kuifje. Veel van Kuifjes belevenissen zouden zijn gebaseerd op de avonturen van Degrelle. Bovendien, aldus Degrelle, was hij in die tijd vooral te herkennen aan een opvallend plukje haar op zijn hoofd en droeg hij regelmatig bruine plusfours.

Wat moet je nou met zo'n ex-nazi die beweert Kuifje te zijn? De Sunday Times neemt de zaak in ieder geval serieus op. Volgens de krant zijn veel Belgen van mening dat Hergé inderdaad grote bewondering had voor Degrelle om diens campagne tegen corruptie. Ook laat de krant Jan Bucquoy aan het woord, Kuifje-kenner en auteur van het boek "Het Seksleven van Kuifje'. “Natuurlijk zit er iets in de claims van Degrelle. In de avonturen van Kuifje hebben de boeven altijd kromme neuzen en de goeden blond haar en blauwe ogen”, aldus Bucquoy. De Times voegt hier aan toe dat in het album "De Geheimzinnige Ster' (1941) een van Kuifjes schurkachtige tegenstanders de joodse bankier Blumenstein is. Na de oorlog verandert Hergé de naam in Bohlwinkel.

Zonder nu al te veel waarde te hechten aan de persoonlijke mening van iemand die zich tot nog toe voornamelijk heeft verdiept in de seksuele driften van Kuifje, kunnen de beweringen van Leon Degrelle toch niet zonder meer van tafel worden geveegd.

In de eerste plaats lijdt het geen twijfel dat Hergé en Degrelle elkaar kenden. Degrelle is aan het eind van de jaren twintig een tijdje correspondent van Le Vingtième Siècle, het dagblad waarin ook Hergé tekent. En jaren later, als Le Petit Vingtième, de opvolger van Le Siècle, door de Duitse bezetters wordt verboden, neemt Degrelle contact op met Hergé. Of Hergé de officiële tekenaar wil worden van de Rexistische beweging, een door Degrelle opgerichte extreem-rechtse organisatie. Hergé weigert en kiest tenslotte voor het blad Le Soir.

In de tweede plaats is het niet de eerste keer dat Kuifje en Hergé in verband worden gebracht met de Nazi's. Hergé's werkzaamheden voor Le Soir in de oorlogsjaren zijn hem beslist niet in dank afgenomen. Meteen na de bevrijding van Brussel krijgt Le Soir een nieuwe redactie en verbiedt het geallieerde opperbevel alle journalisten die tijdens de bezetting hebben doorgewerkt, hun beroep uit te oefenen. Ook Hergé verliest zijn baan. En hoewel Kuifje in Le Soir slechts apolitieke avonturen heeft beleefd vangt de hoge boom Hergé natuurlijk veel wind.

In het blad Front verwoordt een hoogleraar van de Universiteit van Luik de gevoelens van vele Belgen als volgt: “Bedroevend en twijfelachtig was het dat dat beruchte mormel, dat niet van Kuifje te scheiden is en zijn neus in Duitse vuilnisbakken had gestoken, onze kindertjes nog vreugde kon bezorgen. Het gaat er niet eens om Hergé te beletten dat hij, zoals men dat noemt, de kost verdient. Hij kan altijd nog in de reclame gaan: Draagt de sokophouders: Uitrekbaar-in-alle-richtingen (...). Als ik die hond Bobbie tegenkom, kan hij van mij, met permissie, een schop onder zijn kont krijgen.”

En de hoogleraar staat niet alleen. In zijn boek "Kuifje, van Leerlingjournalist tot wereldberoemd Reporter' heeft de Nederlandse Kuivoloog Har Brok nog een paar gepeperde uitspraken verzameld: “Kuifje en Bobbie waren portiers, de pronkstukken van het propaganda-apparaat van Goebbels” en “De naam van Hergé, die net zoveel voorstelt als zijn minderwaardige personages, die stinken naar "Feldgrau', mag onze filmdoeken niet meer bezoedelen.”

Betekent dit alles nu dat je de claim van Leon Degrelle serieus moet nemen? Schuilt er in de nobele figuur van Kuifje een SS-er? Natuurlijk niet. De verontwaardiging kort na de oorlog over de opstelling van Hergé is begrijpelijk. Vriend en vijand zijn het erover eens dat Hergé's neutrale gedrag kwalijk was. Misschien kwam zijn houding voort uit naïveteit, die Hergé, als groot geworden padvinder, nog steeds bezat. Maar met racisme of fascisme had het in ieder geval niets te maken, daar zijn vriend en vijand het ook over eens.

Met hetzelfde gemak waarmee Jan Bucquoy de bewijzen voor Hergé's racisme aandraagt kan het tegendeel worden bewezen. Draagt de misdadige dictator in de "Scepter van Ottokar' (1938) niet de naam Müstler, een samenvoeging van Hitler en Mussolini? In het boek "Wordt Vervolgd', samengesteld door Benoit Peeters (1983), signaleert de historicus Pascal Ory juist een enorme betrokkenheid van Hergé bij de minderheden, de zwarten, Indianen en zigeuners. “Geen wonder dat we Molensloot niet op de kaart van België vinden: het geniet een exterritoriale status, dit toevluchtsoord van alle minderheden, voor zigeuners, voor eenzame, hardhorende professoren, voor (matig) ontwende zeelieden.”

Er bestaat dan ook geen enkele reden om aan te nemen dat Hergé bij de creatie van Kuifje zich heeft laten inspireren door een extreem-rechtse randfiguur. Het opstaand toefje haar op het hoofd van Leon Degrelle en zijn bruingekleurde drollenvanger bieden daarvoor te weinig aanknopingspunten.