Jong zijn in Indiana, en volgens Clinton

HANOVER, Indiana - Zij dragen hun verlies manmoedig. “We're losing. It's real bad.” Bij de brothers en sisters in het studentenhuis van Phi Gamma Delta komt het verlies toch nog hard aan. Zij zijn geen politieke fanaten, zij stemmen alleen Republikeins, zoals de meesten op de campus van Hanover College. Hun staat Indiana is ongeveer de eerste waar president Bush vast op kon rekenen. Urenlang lijkt het ook de laatste voor de president te zijn.

De Amerikaanse jeugd mag met twee tegen één voor Bill Clinton hebben gestemd, die trend is Hanover College voorbij gegaan. Op de vredige campus aan de rivier de Ohio heeft bijna niemand boodschap aan de kandidaat "voor verandering', de kandidaat "van de jeugd', de man die de Amerikanen hun "toekomst terug zal geven'. In een political science-klas van vierendertig studenten zijn er zes die verklaren iets anders te stemmen dan hun ouders. Protest tegen het gezag is in het Midden-Westen kennelijk geen gewoonte.

Dit is een campus in de traditie van het Amerikaanse "liberal arts college'. Discussie is hier de favoriete onderwijsvorm. Onderweg van "Intermediate French' naar "Foundations of the modern age' in gebouw Classic, doorkruisen de studenten een rechthoekig excercitieveld omzoomd door goudgele eiken, namaak-tempels en een presbyteriaanse kapel.

Een jongeman met indrukwekkende, harige kuiten onder een korte broek ter grootte van een zitzak heeft in een vlaag van betrokkenheid verklaard dat, àls hij zou stemmen, de onafhankelijke kandidaat Ross Perot zijn man zou zijn. Hij moest lang nadenken over het waarom van deze afwijkende mening. “Omdat ik niet zo veel in politiek zie”. Een meisje met vlechtjes komt hem te hulp: “Ross Perot bewijst dat de Amerikaanse politiek open staat voor iedereen.” Over de prijs van die openheid heeft niemand het.

Het lijkt een bezoek aan het fictieve toekomst-land, dat televisie-profeten altijd hebben voorspeld. Op deze campus van een koekblikachtige schilderachtigheid is geen krant te zien. Ergens in een kelder, bij een snackbar waar bijna niemand komt, staat een bak waarin de Indianapolis Star te koop ligt. Studenten zie je er niet mee. Zij missen er niet veel aan. De dag vóór de verkiezingen raadt de krant haar lezers in een hoofdartikel aan de natuur in te trekken. “De herfst is een prachtige tijd voor een wandeling, een fietstochtje of een autorit. An amble is rewarding for the exotic new shapes of weeds and wildflowers gone to seed, for milkweed pods and thistledown, for the discovery of winding paths that summer's thick greenery concealed. Geniet van de "Indiana Autumn' zolang het kan.”

Zo kan het ook. Het verschil tussen deze college-studenten van achttien tot tweeëntwintig jaar en de wereld van Bill Clinton kan niet groter zijn. Aanstaand vice-president Al Gore zegt in zijn lange aanvaardings-toespraak in het holst van de nacht in Arkansas: “Wij zijn de eerste leiders die na de Tweede Wereldoorlog zijn geboren. Wij zijn de kinderen van het moderne Amerika.”

De college kids in Hanover stellen zich er weinig bij voor. Op mijn vraag in een klas wat het Marshall Plan was, antwoordt één student met een groot vraagteken, en zijn buurman waagt schuchter: “Was dat niet een plan om Turkije en Oostenrijk te helpen na een overstroming?”

Voor hen geen "dag van hoop en moed', zoals Clinton die uitroept. Het zijn aardige kinderen, maar zij moeten niets hebben van dat gepraat over de jeugd. Student John, die als hij genoeg heeft verdiend misschien wel de politiek in wil gaan, weet ook waarom: “Het gaat om de economie, de rest is flauwekul. De meesten van ons hier komen uit kleine plaatsen in Indiana en Kentucky. Daar laat je je niet zo sterk leiden door invloeden van buiten”.

Als de economie zo belangrijk is, heeft hij dan bewondering voor de economische politiek van vier jaar Bush? Ach nee, zij schieten allemaal in een meewarig lachje en vertellen hoe corny de president was in een wit jack staand achterop een antieke stoomtrein. Zo liet hij zich door het muziekstation MTV ondervragen in een laatste poging de jeugd over te halen. Maar zelfs dat heeft John en zijn collega's niet naar Clinton gedreven.

Om vijf voor negen op verkiezingsavond wint Bush de staat Oklahoma. Niet één van de grote waar het om draait. De stemming bij Phi Gamma Delta veert toch even op. Men voelt zich een tikkeltje belachelijk worden bij de uitslag die zich aftekent.

Eén meisje met een briljantje in haar neus voelt het allemaal anders. “Het is een verdrietige dag”, verzucht zij, “dat Indiana zelfs nu nog voor Bush stemt...” Zij blijkt van Nederlandse afkomst te zijn, en volgt kennelijk nog onbewust de hoofdstroom in de Nederlandse politiek.

Er is meer dat aan Nederland doet denken. Clintons campagne is dertien maanden lang gebouwd geweest op een appèl tot samenwerking, "a new spirit of community'. Het klinkt als een mooie oproep waar niemand tegen kan zijn, maar waar ook weinig achter zit. Dat blijkt niet helemaal waar te zijn. Er zijn mensen die denken dat hij iets bedoelt als hij zegt “Together we can do it”.

Sinds een jaar of zo wordt in Washington een opmerkelijk tijdschrift gepubliceerd. Het heet The Responsive Community - rights and responsibilities. Onder redactie van de socioloog Amitai Etzioni wordt daarin het communitarisme verkend. Wat klinkt als een sectarische nieuwigheid, blijkt in werkelijkheid een gematigde en uitgesproken constructieve stroming binnen het Democratisch denken te zijn. Verrassend genoeg valt die poging vrijwel van artikel tot artikel samen met kwesties waar in Nederland ook over wordt gedacht en geschreven.

Sociale dienstplicht, culturele diversiteit, mede-verantwoordelijkheid voor de verzorgingsstaat en de legitimiteit van morele educatie op school (een Ritzen-discussie) zijn stuk voor stuk thema's die op het kruispunt van sociaal- en christen-democratie in Nederland ter sprake komen.

In Amerika blijken niet de eerste de besten op zoek te zijn naar een begaanbare weg tussen markt-kapitalisme en extreme dominantie van burgerrechten. Rechten koppelen aan plichten is in Nederland even actueel als voor de Democraten met hun nieuwe gemeenschapszin.

Clinton schijnt iets te voelen voor de overleg-economie. Zelfs in Indiana willen ze weten hoe dat werkt. Corporatisme, vroegen ze dan, is dat wat voor ons? Het is maar hoe ver je in de geschiedenis teruggaat of je die aanduiding hinderlijk vindt.