In de Put

Zie de depressieve man op zijn sofa. 't Is een treurige aanblik. De idioot in het bad, de Fool on the Hill. Hij zit daar bewegingloos, met spieren zonder spankracht, pupillen zonder licht. Je praat met hem, je schreeuwt hem toe, en niets lijkt tot hem door te dringen.

Er dringt ook niets tot hem door. De draden die hem met de buitenwereld verbonden zijn doorgesneden. Maar dat wil niet zeggen dat het binnenin hem dood is. Binnenin hem is het een drukte van belang.

Het gist, kookt, vlamt in zijn hoofd. Met tweegevechten zonder winnaar of verliezer. De schedel van de depressieve man is een hogedrukketel, componenten voortstuwend en ophitsend die - en daar gaat het om - niet voor elkaar willen onderdoen. Een broeikas vol onbesliste schermutselingen. Een distilleerkolf die maar niets wil distilleren.

In het hoofd van de redelijke man wil de hartelijkheid het wel eens winnen van de trots, de liefde van de jaloezie, de plicht van de luiheid. Bij de depressieve man niets van dit alles. Hij voelt voor het een, hij voelt voor het ander, en hij voelt voor beide. Hij ervaart de scheiding in de gezamenlijkheid, de gezamenlijkheid in de scheiding. Via ingenieuze omwegen komt hij weer uit op het punt waar hij begon. Zijn gaafheid is fragmentatie, zijn gespletenheid een vorm van volledigheid.

De depressieve man wil voorwaarts en achterwaarts. Hij bezit de vurige wens om actief te zijn, een man van de daad. Tegelijkertijd wil hij het liefst in zijn schulp kruipen. Niets komt hem zo verleidelijk voor als actieloosheid, het lauwe niets-doen.

Er is het gevecht tussen onzekerheid en gevoel voor eigenwaarde. Niemand twijfelt zo aan zichzelf als de depressieve man, niemand weet met zo'n koud zelfbewustzijn wat hij waard is.

Er is de schermutseling tussen principe en hoerigheid. Hij weet dat hem overtuigingen en een zeker karakter niet kunnen worden ontzegd, maar hij weet ook dat overtuigingen een kwestie van tijd, plaats en klimaat zijn, een invulling door omstandigheden, en dat alles uiteindelijk neerkomt op karakterloosheid. Hij herkent zijn principes als tactieken, en maakt van zijn hoerigheid een deugd.

Hij leeft tussen de illusie dat hij bewust handelt en de realiteit dat hij zich in veel opzichten onbewust laat sturen.

Hij koestert met schrijnend welbehagen geheimen die men aan niemand overbrieft, en hij zou ze met wellustige pijn van de daken willen schreeuwen.

Hij is nu eens een vooraf-denker, dan weer een achteraf-denker: nu eens een schaker, die de ongetelde zetten van zijn toekomstig leven heeft uitgestippeld, dan weer een improviseertalent bij plotseling uitbrekende paniek.

Zo woedt het in het hoofd van de depressieve man. Er is geen synthese, behalve de synthese van de woede. Hij is verlamd, maar niet omdat de tegenstellingen elkaar, met hun gelijke sterkte, zouden opheffen of machteloos maken. Er blijft onverminderd een bombardement gaande in zijn hoofd, langs elkaar en door elkaar, maar met duidelijke flitsen, sterke lijnen. Er is geen chaos, behalve de chaos van de stilstand.

Stilstand door te grote beweging. De redelijke man kent het verschijnsel uit de natuur. De atomen zijn depressief. De planeten zijn depressief. De redelijke man kent het verschijnsel ook van het televisiescherm. Dat scherm beweegt onophoudelijk, en toch lijkt er nooit iets op te gebeuren. Maar we waren even ernstig.

De depressieve man kan niet door eigen wilsinspanning uit zijn toestand treden. Er is geen troost. Niet de bittere troost van de melancholie, dat besef van tijdelijkheid en ijle droom dat het leven juist zo draaglijk maakt. Niet de zoete troost van de zelfmoord. De deur van de zelfmoord staat altijd open, maar een verlamde haalt die deur niet.

Ik ben goddank nooit depressief. Maar ik heb, als zovelen van ons, wel eens om de hoek van de depressiviteit gekeken. Dan redden we de zaak een beetje door intuïtie, de automatische piloot en pepmiddelen af en toe.