GEORGE BUSH; Heer erkent verlies

WASHINGTON, 4 NOV. Afgelopen nacht onderging president Bush een gedaanteverwisseling van "politicus' tot "president'. Van een moddervechter werd hij plotseling een heer. In zijn felicitatietoespraak voor Clinton repte hij van “eer” en “integriteit”. En het eerst bedankte hij zijn twee voornaamste medewerkers voor buitenlands beleid, voormalig minister van buitenlandse zaken en campagne-leider James Baker en zijn veiligheidsadviseur Brent Scowcroft.

Na een moordende campagne, waarbij hij er zelf niet voor terugschrok om met modder te gooien, trekt deze heer van stand zich terug in Texas of op zijn familiebuiten in Maine. Gisteren haalde hij een jachtakte en een nieuwe molen voor zijn hengel. Bush verloor ondanks het feit dat hij in zijn termijn als president twee oorlogen heeft gevoerd en gewonnen.

Het was dit jaar alsof de 68-jarige Bush zich niet meer helemaal thuis voelde in de politiek. Zijn verlies is deels te wijten aan zijn passiviteit. Vanaf het begin van de campagne heeft Bush getalmd over het personeel in zijn campagne en over de te nemen stappen om de economische problemen te lijf te gaan. Bij de voorverkiezingen negeerde hij het protest in de rechtervleugel van zijn partij. De algemene verkiezingscampagne startte hij pas na de Republikeinse conventie, eind augustus.

Toen George Bush bij zijn overwinning in 1988 werd gevraagd naar het mandaat dat hij had gekregen, lachte hij een beetje en vroeg hij zich openlijk af of hij wel een mandaat van de kiezers had. Hij werd gekozen door mensen die weinig verandering wilden. “Geen nieuwe belastingen”, was zijn belangrijkste verkiezingsslogan.

Voor George Bush werd het presidentschap bijna een geboorterecht. Als Republikeins bestuurder heeft hij zich er langzaam naar toe gewerkt. Hij was voor geen politiek karwei te beroerd. Uit politieke noodzaak nam hij vaak standpunten in waarin hij zelf niet scheen te geloven.

In 1970 verliet hij op aansporen van president Richard Nixon het Huis van Afgevaardigden om zich voor de Senaat verkiesbaar te stellen. Nixon hielp hem nauwelijks, omdat hij het verlies van Bush zag aankomen. Bush werd na zijn verlies niet beloond met een post in het kabinet. In plaats daarvan begon hij als Amerikaans vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties. Hij werd bevorderd tot voorzitter van de Republikeinse partij tijdens de moeilijke Watergate-periode. Hij werd echter weer niet beloond met een plaats in het kabinetsfunctie, hij kon ambassadeur worden in China. Bush slikte zijn trots in en ging. Later werd hij chef van de CIA, in welke functie hij zich niet onderscheidde.

In het begin keek president Nixon neer op Bush, omdat hij hem te slaafs vond. Maar later begon hij ook diens harde, ambitieuze kant te zien en te waarderen. Het zijn ook deze twee tegenstrijdige kanten die zijn presidentschap hebben gekenmerkt, de heer uit Connecticut en de straatvechter uit Texas. Bij campagnes verandert hij in de straatvechter om dan weer terug te schieten in de functie van heer. De hoffelijkheid domineerde vandaag.

Bush werd geboren in Massachusetts als zoon van de financier Prescott Bush, later senator voor de deelstaat Connecticut. Al vroeg werd zijn rustige, beschermde bestaan onderbroken door de Tweede Wereldoorlog. Hij gaf zich op als vrijwilliger en werd piloot bij de marine. In 1945 sprong hij met zijn parachute uit zijn brandende vliegtuig, voor hem een traumatische belevenis omdat hij niet precies wist of hij door anders te handelen de bemanning nog had kunnen redden.

Na de oorlog studeerde hij vier jaar in Yale, trouwde hij en ging hij naar Texas om met geld van zijn vader een oliebedrijf te beginnen. Hij maakte een bescheiden winst. Later dook hij in de politiek. In 1964 was hij bereid zijn gematigde politieke standpunten in de steek te laten om zich als extreem rechtse Goldwater-Republikein te presenteren. De mensen doorzagen zijn onoprechtheid, hij verloor. Na mislukte campagnes werd hij uiteindelijk Congreslid voor Harris County, het gebied rond Houston.

In 1980 verloor Bush de Republikeinse voorverkiezingen voor het presidentschap. Hij was blij, toen Reagan hem uitkoos als vice-presidentskandidaat. Zijn principiële oppositie tegen Reagans plan voor belastingverlagingen ("voodoo-economie') liet hij gemakkelijk varen en hij legde in stilte het fundament om in 1988 het roer over te nemen. De toenmalige chef van de CIA, Bill Casey, zag in hem een bereidwillige medestander. De resultaten (Iran/contras-affaire) hebben hem tot de laatste dagen van deze campagne achtervolgd.

De grote trots van Bush is de overwinning in de Golfoorlog. Tijdens campagnetoespraken heeft hij soms met emotie in zijn stem aan die momenten herinnerd. Zijn grote populariteit na die overwinning heeft hij echter niet gebruikt voor binnenlandse initiatieven. Zijn campagne over het “presidentiële karakter” was niet alleen bedoeld om een smet te werpen op Clinton. Hij gelooft werkelijk dat dit karakter in buitenlandse crises naar voren komt. De kiezers vinden dat nu kennelijk niet zo nodig.