"Eurokids' leren in twee talen

Ze gaan niet naar een schoolfeest maar naar een "Halloween-party' en in plaats van natuurkunde volgen ze physics. Scholieren in het voortgezet onderwijs kunnen sinds kort hun moedertaal verruilen voor het Engels.

""Ik ga als mummie, jij?'' ""Nee zeg, daar heb je veel te veel wc-papier voor nodig. Ik ga als chainsaw killer.'' In klas b1k van de Rotterdamse scholengemeenschap Wolfert van Borselen wordt opgewonden gediscussieerd over de Halloween-disco: een feestavond in Amerikaanse stijl. De avond is niet voor alle brugklassers. Behalve Engelstalige leerlingen zijn alleen de leerlingen van het tweetalige VWO uitgenodigd.

Veertien jongens en tien meisjes doen het tweetalige VWO, dat dit schooljaar is begonnen. Zij volgen tweederde van de vakken, van geschiedenis tot gymnastiek, in het Engels. Alleen tijdens de lessen Nederlands, Frans en wiskunde wordt Nederlands gesproken. Met extra vakken als Art and Design en vijf uur Engels per week moeten de leerlingen in de vijfde klas het niveau bereiken van "near native speaker'.

""We willen de kinderen een niveau van het Engels bijbrengen dat veel hoger is dan dat van andere VWO-leerlingen'', zegt K.J. Philipsen, coördinator van de tweetalige opleiding. ""Zo kunnen ze later studeren in het buitenland of werken bij een internationaal georiënteerde organisatie. We besteden ook extra aandacht aan de internationalisering van de wereld, zodat de kinderen zich ervan bewust worden dat ze Eurokids zijn.''

Voor de opleiding worden Engelse schoolboeken gebruikt, aangevuld met door de leraren zelf samengesteld materiaal. ""In de Engelse geschiedenisboeken wordt natuurlijk veel aandacht besteed aan Cromwell'', aldus Philipsen. ""Dat hoeven onze kinderen niet zo precies te weten, dus dat halen we eruit.'' Verder krijgen de leerlingen extra taken, zoals het maken van een Engelse schoolkrant of een aardrijkskunde- of geschiedenisproject waarin aandacht wordt besteed aan het verenigd Europa.

Om tot de tweetalige opleiding te worden toegelaten moeten leerlingen een duidelijk VWO-advies hebben en drie tests afleggen: een IQ-test, een rekentoets en een taaltoets. Ook worden ze ondervraagd over hun motivatie. ""We willen zeker niet alleen whiz kids, maar vooral goed gemotiveerde VWO-leerlingen'', zegt Philipsen. Ruim 50 leerlingen meldden zich aan, van wie de school er 24 uitkoos.

Met de "Euro'-motivatie van de kinderen lijkt het wel mee te vallen. Willem heeft voor de tweetalige opleiding gekozen omdat een vriendje er naar toe ging, zijn klasgenote Anne omdat ze toevallig een informatiefolder las. ""Het leek me wel handig, want ik wil later in het toerisme werken'', zegt ze. De kinderen komen uit uiteenlopende milieus, van dominees- tot middenstandsgezinnen. De meesten hebben hoog opgeleide ouders.

Modern gymnasium

""Kennis van de moderne talen is enorm belangrijk'', vindt I.J. Boeckhout die de tweetalige opleiding uitzocht voor zijn dochter Linda. ""Deze opleiding is een soort gymnasium in een modern jasje. In plaats van Grieks en Latijn is er veel aandacht voor de moderne talen. Ik vind dat erg belangrijk, gelet op de huidige internationalisering.'' Boeckhout is hoofd van een onderzoeksafdeling van het Nederlands Economisch Instituut. Zoon Martin, die volgend jaar naar het voortgezet onderwijs gaat, staat nu al ingeschreven voor de tweetalige opleiding.

Ouders betalen 1250 gulden per jaar voor extra leermiddelen en buitenschoolse activiteiten, zoals de Halloween-avond of excursies naar het buitenland. Andere uitgaven, zoals advertentiekosten en het fonds minder draagkrachtigen, worden mede bekostigd door de Leidse boekhandel Kooyker en door het computer service bedrijf PrimeService. ""Het systeem van sponsoring hebben we afgekeken van Amerikaanse scholen'', zegt conrector A.S.M. Peters.

De Rotterdamse school hoort bij een groeiend aantal scholen in het voortgezet onderwijs die internationaal onderwijs introduceren. Dit schooljaar beginnen Engels-Nederlandse opleidingen in Arnhem, Eindhoven en Enschede. De scholen werken samen in de Werkgroep Tweetalig Onderwijs, die regelmatig bijeenkomt om informatie uit te wisselen. Het Alberdingk Thijm College in Hilversum, het Zernike Lyceum in Groningen en het Spaarne Lyceum in Haarlem begonnen al eerder met tweetalig onderwijs. De keuze van de tweede taal, het lesprogramma en de financiering zijn overal anders.

Het Alberdingk Thijm College in Hilversum was in 1989 de eerste middelbare school die een Nederlands-Engelse opleiding begon. De leerlingen van de tweetalige-variant volgen een lesprogramma met ongeveer de helft van de vakken in het Engels. Waarom de kinderen deze opleiding volgen? ""Engels wordt zéker een wereldtaal'', zegt Nicolaas. ""Dat is het al'', merkt Ralph op. Hij wil naar Amerika. Een groot huis, mooie auto, advocaat worden of zo. Veel geld verdienen. ""Het is gewoon handig om goed Engels te spreken'', zegt Saskia. ""Ook al ga je niet naar Amerika of naar Engeland.'' Zij wil Oude Talen studeren, maar vond de tweetalige opleiding toch meer waard dan het "gewone' VWO.

Bollebozen

De tweetalige opleiding heeft binnen de school een aparte status: het zouden de "bollebozen' zijn die dit programma volgen, al laten zij zich daar volgens rector Th.W.C. de Brok niet op voorstaan. Volgens de leerlingen worden ze er wel op aangekeken. ""De rest vindt ons "stuudjes' '', zegt Ralph.

Na het vierde jaar kunnen de leerlingen moeiteloos Engels lezen, schrijven en spreken. Daarna kunnen ze doorgaan met de vijfde en zesde klas van het tweetalig-VWO of overstappen naar de volledig Engelstalige cursus, die in twee jaar opleidt tot het Internationaal Baccalaureaat: een internationaal erkend diploma dat toegang geeft tot universiteiten in zeventig landen. De meeste leerlingen kiezen waarschijnlijk voor een tweetalig VWO-eindexamen. Zelf vinden de leerlingen dat ze nog onvoldoende Engels spreken. ""We zouden meer spreekbeurten moeten houden, dat gebeurt bijna nooit'', vindt Ralph. Wel moeten ze gedichten uit het hoofd leren. ""En wat heb je daar nou aan? Gedichten uit je hoofd leren is alleen leuk als je een vriendin hebt.''

Een Franse variant van tweetalig onderwijs werd vijf jaar geleden geïntroduceerd door rector D. Kraamwinkel van het Spaarne Lyceum in Haarlem. Zijn francofilie en contact met scholen in Duinkerken en Parijs brachten hem op het idee. Bedoeling was op te leiden tot het Internationaal Baccalaureaat. Het Nederlandse ministerie van onderwijs juichte het plan toe, maar Frankrijk - gevraagd om subsidie - vond het plan voor een Nederlandse "Option Internationale' te elitair, omdat de opleiding slechts voor een beperkte groep leerlingen toegankelijk zou zijn en er bovendien extra voor betaald zou moeten worden.

De opzet die Kraamwinkel voor ogen had, was moeilijk te verwezenlijken. De belasting op het vakkenpakket bleek te groot en de kosten van tweetalige vakdocenten te hoog. Daarom werd gekozen voor "versterkt Frans': leerlingen kunnen nu opteren voor zes uur extra Frans. Ouders betalen vijfhonderd gulden per jaar. Van de 800 leerlingen die de school telt doen 25 leerlingen uit de eerste drie klassen mee aan het project. Volgend jaar gaat de eerste lichting op voor het examen. Met een diploma "Versterkt Frans' is aansluiting op het Frans Hoger Onderwijs gegarandeerd.

Carrière

Uit een onlangs op het Spaarne Lyceum gehouden onderzoek bleek dat leerlingen groeiende belangstelling tonen voor vervolgstudies in het buitenland, om de blik te verruimen of als voorbereiding van een carrière bij Buitenlandse Zaken. De eerste keus gaat uit naar de Verenigde Staten, gevolgd door Frankrijk, Engeland en Spanje. Duitsland kwam nauwelijks in het rijtje voor, een gegeven dat strookt met de tanende belangstelling voor het vak. In de periode 1975-1985 nam het aantal scholieren dat Duits in het vakkenpakket koos geleidelijk af. Dat aantal stabiliseerde de laatste zeven jaar, maar bleef sterk achter bij het percentage leerlingen dat Engels, Spaans, Frans of Italiaans koos. Dit terwijl in de praktijk juist veel vraag was naar kennis van Duits: uit een rapport uit 1990 van het ministerie van onderwijs bleek de behoefte aan praktische kennis van het Duits in het bedrijfsleven ongeveer even groot te zijn als die aan Engels.

Om de Duitse taal en cultuur uit de schemering te halen, wilde rector H. van Uppelschoten drie jaar geleden op het Zernike Lyceum te Groningen een "Duitse stroom' invoeren. Toen hij zijn plan presenteerde op een ouderavond, bleek een meerderheid van de ouders fel gekant tegen het voorstel om het impopulaire Duits meer aandacht te geven. Pas na lange discussie legden zij zich erbij neer dat het plan op bescheiden schaal zou worden doorgevoerd.

In het schooljaar 1990-1991 stond de Duitse stroom open voor alle leerlingen. Slechts vijftien leerlingen schreven zich in. De lessen richtten zich vooral op het dagelijks gebruik van het Duits. Zo gingen scholieren de straat op en interviewden Duitse toeristen. Het streven was ook vakonderwijs in het Duits te geven, maar dat is niet gelukt. Het Zernike stuitte op dezelfde problemen als het Spaarne Lyceum in Haarlem: Nederlandse leraren beheersen de vreemde taal onvoldoende en het aanstellen van tweetalige vakdocenten is te kostbaar.

Het experimentele jaar leerde dat het effectiever is het programma te beperken tot één klas van één schooltype. Daarom werd vorig jaar een 4-Athenaeumklas samengesteld waarvan alle leerlingen één extra uur Duits per week krijgen. Voor een Duitse stroom zijn Nederlandse scholen kennelijk nog niet rijp.

Op het Hilversumse Alberdingk Thijm College begint om kwart over elf voor de derde klas de les Latijn. ""Wat betekent modestus?'', vraagt leraar Van Kampen. ""Modest'', antwoordt een van de leerlingen. ""Good. And what does modest mean?'' ""Modebewust'' zegt Ralph. Maar dat is een grapje.