Een feestje

Eigenlijk was het een gewone Amerikaanse huiskamer. Alleen wat groter. En ook de oprijlaan, met de politieauto bij het hek, was langer dan normaal. Maar verder? Iets te luie stoelen, familiefoto's op het buffet, nergens boeken. Werkelijk heel gewoon.

Onze gastvrouw stond in de keuken met haar dochtertje gezellig popcorn te bakken. Ze had een gebloemde duster aan en pantoffels aan haar voeten. Haar man, in hemdsmouwen, deelde blikjes bier en flesjes wine cooler rond. Hij heette Bill. Haar naam was Hillary.

Het was een mooie najaarsdag in 1987. In Little Rock was met een reünie herdacht dat 30 jaar geleden negen schoolkinderen de segregatie hadden doorbroken. Voor de negen was het een emotionele dag geweest. Eén van hen vroeg of ik mee ging naar een klein feestje om samen bij te komen. Het feestje bleek in de huiskamer van de gouverneur, die het reuze leuk vond me te zien, al was ik dan niet uitgenodigd. Dat zei hij tenminste, en om het te onderstrepen klopte hij hevig op mijn schouder.

Er werd muziek uit de jaren zestig en zeventig gespeeld en zelfs een beetje gedanst. Het dochtertje begon moe en lastig te worden. Bill networkte intussen levendig met zijn gasten, die belangrijke posities bekleeddden in de burgerrechtenbeweging. Tegen het eind van de avond klopte hij me opnieuw op mijn rug. “Holland zei je toch? Kom dan eens mee.” We verlieten de salon en begaven ons naar de echtelijke slaapkamer waar hij me plaats liet nemen op het bed. Met een schilderijtje in zijn hand ging hij naast me zitten.

“Herken je dit?”

Ik had geen idee.

“Amsterdam. De Westertoren.”

Het was een nogal lelijk plaatje, maar Bill keek ernaar met ogen die hij van vertedering had dichtgeknepen.

“Amsterdam”, zei hij. “Wat een fantastische stad! Amsterdam, daar mocht echt àlles.”

Waar hij ze zo gauw vandaan haalde weet ik niet, maar even later hadden we twee foto's in onze handen. De ene liet Bill zien met lang haar en een baard, als ik me niet vergis op de trappen van het monument op de Dam. De tweede was van een blond meisje. “Zij heeft me dat schilderij gegeven, als aandenken”, zuchtte Bill. “Het was een mooie tijd.”

Het verhaal nam me in voor de gouverneur. Hij had er immers geen enkel belang bij om het te vertellen en er bleek uit dat hij een gewone jongen was geweest, net zo enthousiast en verward als alle andere Amerikaanse studenten die destijds door Europa zwierven. In de merkwaardige code die geldt voor Amerikaanse presidentskandidaten is dat echter geen aanbeveling. Je wordt wel geacht gewoon te zijn, maar dan op de manier waarop de nederigheid van heiligen vaak wordt beschreven. Onmenselijk dus. Onbevlekt ontvangen is nog net geen vereiste, maar na de eerste levensjaren word je toch wel geacht nooit meer iets doms of vrolijks te hebben gezegd of gedaan. Het simpele feit dat je steden als Moskou en Amsterdam hebt bezocht, kan al tegen je worden gebruikt.

“Die redt het nóóit!” zei ik dan ook zelfverzekerd tegen een kennis die me er een paar dagen later op wees dat Bill wel eens de eerste politicus van zijn generatie zou kunnen zijn die in het Witte Huis ging wonen. Mijn idee werd bevestigd toen hij een desastreuze keynote-speech hield tijdens de democratische conventie - veel te lang, veel te serieus. Maar hij bleek slim genoeg om ervan te leren, al wordt hem ook dat natuurlijk niet vergeven. Daarom wordt hij nu slick Willy genoemd.

Ik heb de laatste maanden veel gedacht aan mijn vriend Bill; dat was ook nauwelijks te vermijden. Maar minstens zo vaak aan dat Amsterdamse meisje. Ze had makkelijk een beetje bekend kunnen worden of wat geld kunnen verdienen met een verhaal over “de Amsterdamse tijd van Bill Clinton” of misschien zelfs “mijn wilde liefdesnachten met de president”. Al naar gelang. Maar ze heeft haar mond gehouden. Ik denk dat ze de Verenigde Staten daarmee een dienst heeft bewezen.

    • H.M. van den Brink