Ballet van Karin Vyncke mist de vonk van de inspiratie

Gezelschap: Compagnie Karin Vyncke met Kreuset. Choreografie: Karin Vyncke; muziek: Kaat Dewindt, Jan Kuyken; decorontwerp: Yoris van den Houte; kostuums: Catherine Rigault; licht: Christophe Nicolas. Gezien: 3/11 De Brakke Grond, Amsterdam. Aldaar: t/m 6/11.

De Belgische choreografe Karin Vyncke is hier niet zo ingeburgerd als haar collega's Anne Teresa de Keersmaeker, Michèle-Anne de Mey of Wim Vandekeybus. Die worden beschouwd als de belangrijkste vertegenwoordigers van het Vlaamse fysieke danstheater. Tot deze stroming behoort ook het werk van de in Parijs gevestigde Karin Vyncke. De produktie Kreuset (1990) maakte zij in het kader van een projekt rond de impressionistische schilder James Ensor. Vergeleken met diens verrassende coloriet is het bewegingsstuk van Vyncke een aquarel in grauwe tinten.

Karin Vyncke, een klassieke balletdanseres en -docente, kreeg een opleiding aan de door Maurice Béjart opgerichte Mudra-school in Brussel. Vervolgens liep zij stage bij de Poolse theatervernieuwer Jerzy Grotowski. Zij studeerde moderne dans in Parijs. In 1981 was zij verbonden aan het Bremer Tanztheater van Reinhild Hoffmann en Gerhard Bohner. Ging in New York trainen om daarna bij het gezelschap van de Franse choreografe Maguy Marin terecht te komen. In de produktie May B trad zij met deze groep op in het Holland Festival (1986).

De Compagnie Karin Vyncke presenteerde zich hier voor het eerst in Nijmegen (1989) met Sous les vêtements blancs. Dat was het derde dansstuk van de choreografe, Kreuset is haar vijfde. De titel is een afgeleide van het Franse woord 'creuset' (smeltkroes). Het verwijst naar de hitte van gesmolten ijzererts. Het thema van het dansstuk is dorst en water. Kwelling en laving. De hunkering naar iets onmisbaars en de verleiding van het onontbeerlijke.

Het decor (ontwerp Yoris van den Houte) stelt een fabriekshal voor, waarvan de drie wanden met zinkplaten zijn bedekt. Daarboven hangen tonnen met water voor dertien kranen, die zijn bevestigd boven een plankier van roosters. Een barre omgeving, waar een man (Enzo Pezzella) op zijn scheden terugkeert. De keten van voetstappen slurpt hem echter op als een draaikolk.

Hij deelt zijn troosteloos bestaan met vijf lotgenoten (Andrew Aldridge, Laura Girotto, Frank Journo, Barbara Manzetti en Laurence Langlois). Een van hen wrijft de opgedroogde klei van de onderarmen in een poging om weer tot leven te komen. Maar de hand slaat de verbijsterde mond dicht. De vinger tekent een slot op het lichaam. De duim kerft als een mes in de rug. Het verlangen naar water is even groot als het verlangen naar genegenheid. De brute gemeenschap heeft blijkbaar zijn eigen codes.

De groep vormt steeds een front, ook al deelt zij zich regelmatig op in andere formaties. Bewegingsfrases en dansfragmenten volgen elkaar op in wisselende heftigheid, aangegeven door de muziekcompositie van Kaat Dewindt en Jan Kuyken. De personages wentelen zich behaagziek in de waterstralen of over de grond. Zij stuiteren op en ploffen weer neer. Zij zijn apathisch of geëmotioneerd zonder dat de aanleiding daartoe duidelijk wordt.

In verschillende talen wordt er over dorst gesproken, een liedje gezongen en het Onze Vader gebeden. De goddelijke vonk van de inspiratie blijft echter uit. Karin Vyncke heeft weliswaar oog voor compositie, maar mist de zeggingskracht van haar Vlaamse collega's. Ook roepen bij haar de repetitieve elementen geen spanning op, zoals bij de choreografe Krisztina de Châtel. Haar dansers zijn energiek in de weer, maar hun beweging blijft krachteloos. Zij missen uitstraling en spelen steeds: kijk ons eens gewoon doen. Als (dans-)theater 'gewoon' zou zijn, mist het de noodzaak om te worden gezien.