Volleybal

“Met alle sportredacties van Nederland wilde ik het volgende afspreken: van nu af geven we aan volleybal de aandacht die het verdient. Ik dacht aan een regel of tien per week.” Collega Henk Spaan provoceert graag en heeft hier (het stond in Sport International) de remmen losgegooid. Tien regels per week voor een sport die wereldwijd wordt beoefend en waarin Nederland kort geleden een zilveren medaille heeft gehaald op de jongste Olympische Spelen! Het is sowieso een voorstel dat weliswaar past in het provocatieve brein van de columnist, wie geen zee te hoog gaat, maar dat overigens rust op het drijfzand van een veel te eenzijdige beoordeling. Het geval wil namelijk dat Spaan Ron Zwerver in Barcelona heeft meegemaakt en hem wel eens heeft zien huilen. Het boegbeeld van het Nederlandse team zou daar last van zijn traanklieren hebben ondervonden en aan huilebalken heeft Henk allerminst een boodschap.

Maar een ander geval wil dat ik Ron Zwerver dezer dagen zag en hoorde vanuit Treviso, waar hij leuk geld verdient bij een Italiaanse topclub. Er was geen traan te zien, wel een rustig, redelijk-zinvol commentaar op de hem gestelde vragen. Nu was er uiteraard niet de spanning van Barcelona. Zwerver heeft van zijn clubleiding drie maanden de tijd gekregen om te wennen en zich in te spelen. Daarna wordt er van hem verwacht dat hij de ploeg op sleeptouw zal kunnen nemen. Intussen heeft het uiteenvallen van het nationale team iets dramatisch, hoewel nuchter inzicht in de menselijke natuur tot de overtuiging had moeten leiden dat iets dergelijks onvermijdelijk zou zijn. Ajax en Feyenoord houden ook niet al hun cracks en Italië schijnt ook in volleybal met gigantische pakken lires over de brug te komen.

Maar wat ik totaal niet begrijp is de omstandigheid dat Spaan kennelijk volleybal maar een zo-zo-la-la-spelletje vindt. In mijn ogen is het een formidabele sport, zowel om te doen als om naar te kijken. Er zit heel veel in, zowel aanvallend als verdedigend. Bovendien spelen souplesse, sprong- en slagkracht een grote rol, terwijl een uitgekiende tactiek mee van belang is. Alles gaat tegenwoordig in een adembenemend tempo. En als je terugdenkt aan een halve eeuw geleden, moet je constateren dat er een ware revolutie door het vollyeballen heeft gewoed. Verder wend ik mij niet bij voorbaat in misselijke toestand af van een sportman met tranen op de wangen. Jan Janssen, die zowel de Tour de France won als het wereldkampioenschap, kon janken als een hond zonder dat dit op mij storend overkwam. Hij toonde zijn emoties, werd er soms door overmand. Ooit zei hij (het was in Heerlen, toen Eddy Merckx de titel net voor hem wegsnoepte) dat de tweede plaats de rotste van alle was. En intussen maar jammeren. Het is evenwel een tamelijk frappante waarheid, welke daar door Janssen werd gespuit. Voor iemand die zo dolgraag wilde winnen is zilver nog minder dan koper of tin. Ht ging immers om goud!

Natuurlijk moet het geen dreinen worden. Vanenburg had daar een handje van. Meer voetballers hebben die neiging. Weet u wat zij van de volleyballers mogen overnemen? De reactie op een gescoord punt. In plaats van elkaar te pletten in een aan judo denkende grondhouding, zouden zij de handen even tegen elkaar moeten tikken - een soort beheerste blijdschap, te prefereren boven dat geknuffel op het gras en het beklimmen van hekken waarachter zich supporters bevinden.