Tate hield eer aan zichzelf

De aankondiging van zijn ontslag bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest, die Jeffrey Tate gisteren in De Doelen deed tegenover "zijn' musici, was in feite een herhaling van wat hij al zei in het interview in Vrij Nederland, dat uiteindelijk leidde tot zijn vroegtijdige vertrek. Tate, die verklaarde in een artistieke midlife-crisis te verkeren, vertelde daarin al bereid te zijn voortijdig op te stappen als het niet zou komen tot een gelukkige samenwerking tussen hem en het orkest. De reactie van het orkest op het interview was duidelijk genoeg: niemand vroeg hem openlijk aan te blijven. Een gelukkige samenwerking in de toekomst was daarmee van beide kanten uitgesloten en Tate hield de eer aan zichzelf.

De benoeming van Jeffrey Tate in Rotterdam was destijds een experiment met een zekere kans op mislukking. Voor Tate was het de eerste keer dat hij zich vast verbond aan een symfonieorkest. Het feit dat hij Rotterdam koos boven een hem aangeboden positie in Parijs was tekenend: het ging hem meer om de mogelijkheid samen muziek te maken onder gunstige omstandigheden - zoals altijd repeteren in de concertzaal, ook al staat die in een nuchtere havenstad - dan om het comfort en de uiterlijkheden, die een zwierige wereldstad biedt.

Jeffrey Tate was in de muziekwereld opgegroeid als een man met een primair dienende en samenwerkende instelling - repetitor bij Covent Garden, operadirigent en vooral geïnteresseerd in kleinschaligheid. Het grote gebaar, een spetterend fortissimo, is hem wezensvreemd en dat komt niet voort uit zijn fysiek: klein van gestalte en gehandicapt met twee bulten. De verlamde Otto Klemperer, die het podium moest worden opgedragen, kon een orkest en een zaal wel laten zinderen.

Voor Rotterdam leek Tate destijds een handige keus: een dirigent met naam in de internationale muziekwereld en daarmee de entree op de platenmarkt die het orkest de roem zou verschaffen die moest leiden tot de gehoopte verbazing dat Nederland naast het Koninklijk Concertgebouworkest nòg een eigenlijk even fantastisch orkest bezit: het Rotterdams Philharmonisch. De bescheidenheid van Tate en de Rotterdamse geldingsdrang lagen uiteindelijk te ver uit elkaar. Tate was al te twijfelend, Rotterdam al te voortvarend. Een wereldberoemd orkest wordt men immers alleen met een wereldberoemde chef-dirigent, onbetaalbaar voor Rotterdam. Of met een bijna onbetaalbaar dure cd-productie, waarmee bij voorbeeld het orkest van Montreal en Charles Dutoit wereldbekendheid hebben gekocht. Of wereldroem moet vanzelf ontstaan, in de eigen concertzaal, voor een publiek dat werkelijk geïnteresseerd is in topniveau vanwege de muzikaal-inhoudelijke waarde daarvan, een publiek dat topprestaties op hun waarde kan schatten. Uit het in verhouding nogal erg lauwe applaus dat het Doelenpubliek afgelopen vrijdag over had voor een uitzonderlijke vertolking van Das Lied von der Erde met Jessye Norman bleek zo'n instelling allerminst.