Samen onderweg: de drijfveren van een manager

Morgen is drs. R.F.M. Lubbers tien jaar premier van Nederland. Het jubileum wil hij in alle stilte voorbij laten gaan. Na de leider, de econoom en de staatsman, vandaag het laatste deel van een vierluik - de moraal en theologie van Lubbers.

Het is 5 november 1982, de eerste werkdag van het kabinet-Lubbers I. De nieuwe premier onderbreekt de noodzakelijke beraadslagingen en reist af naar de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Daar wordt de 65ste verjaardag gevierd van een goede kennis van hem, pater J. van Kilsdonk. R.F.M. Lubbers begroet veel "doorgebroken katholieken': E.C.M. Jurgens - oud-Kamerlid voor de PPR - H.W. van Doorn en F.H.P. Trip, oud-bewindslieden voor diezelfde partij.

Lubbers kent ze uit de jaren zestig. Hij en de anderen vormden toen een groep radicalen binnen de KVP. “Omdat de wereld vol is van onvrede en onrechtvaardigheid, eist het christendom van ons een radicaal-hervormende politiek”, luidde de tekst van hun manifest uit 1967. De meeste ondertekenaars richtten even later voor dit doel de PPR op. Lubbers bleef in de KVP, maar zou het contact met de anderen blijven onderhouden.

Deze houding is typerend voor een katholiek die in zijn studentenjaren opgroeide met het Tweede Vaticaans Concilie. De Roomse zelfgenoegzaamheid over het eigen gelijk in de jaren vijftig maakte toen langzaam plaats voor een open houding tegenover andersdenkenden. De omslag van heilig gelijk naar aarzelende dialoog zou het religieuze en politieke geloof van Lubbers verregaand bepalen.

De nadruk op wat mensen bindt werd het handelsmerk van Lubbers. Zijn poging in 1989 om een tekst van de progessieve katholieke theoloog Schillebeeckx (“Mensen zijn de woorden waarmee God zijn verhaal vertelt”) in de regeringsverklaring van het kabinet Lubbers III opgenomen te krijgen, getuigt daarvan. Op zijn kwetsbaarst is de premier als de dialoog wordt geweigerd. Gespannen verliet hij op een dag in oktober 1985 de Houtrusthallen in Den Haag. Zo'n 25.000 IKV'ers hadden hem daar hun nek toegekeerd toen de premier zijn speech begon over de plaatsing van kruisraketten in Nederland.

De levensbeschouwelijk gemotiveerde openheid vormt de sleutel van het succes van Lubbers. Met slimmigheid alleen was hij er nooit in geslaagd als eerste christen-democratische premier een groot niet-christelijk electoraat aan te spreken. Bovendien had de christendemocratie vóór de komst van Lubbers slechts politici in huis die alleen met socialisten (Cals) of met liberalen (Schmelzer en eigenlijk ook Van Agt) konden regeren. Lubbers regeerde met VVD èn PvdA en dat was iets nieuws.

Niettemin worden de geestelijke drijfveren van zijn handelen nauwelijks nog onderkend. Zijn succes wordt op z'n best toegeschreven aan zakelijkheid, op z'n slechtst aan draaierigheid. Twee beelden van de minister-president strijden in de commentaren om voorrang: de manager die Nederland na jaren van economische stagnatie weer op de rails zette versus de op een Jezuïeten-school opgegroeide katholiek die met zijn labyrintisch woordgebruik en affaires rondom zijn familiebedrijf een bepaalde reputatie van het katholicisme bevestigt. Geen van beide interpretaties kennen nog een plaats toe aan moraal of ideologie.

Lubbers heeft daar met zijn handelwijze zelf het nodige aan bijgedragen. Zijn geloofsartikel mag dan wel "Samen onderweg' zijn - tevens de titel van een recente bundeling toespraken van zijn hand. In de praktijk van drie kabinetten-Lubbers betekende dat nogal eens: bij politiek onweer anderen als bliksemafleider gebruiken. Minister Van den Broek kan daarover meepraten. De opwinding tijdens Black Monday, vorig jaar september, toen het Nederlandse voorstel voor een verdere federalisering van de Europese samenwerking werd afgewezen, trof door handig manoeuvreren van Lubbers vooral de bewindsman van buitenlandse zaken.

"Samen onderweg' weerhield Lubbers er evenmin van zich onduidelijk op te stellen tegenover de ideologie van zijn eigen partij. Zo nam het kabinet-Lubbers I de zorgzame samenleving - de officiële leus van het CDA - op in zijn regeringsverklaring. Als een van de doelen van het kabinet werd genoemd: “Overgaan van een verzorgingsstaat die onbetaalbaar en drukkend dreigt te worden, naar een zorgzame samenleving waarin mensen voor elkaar opkomen.” Acht jaar later betitelde Lubbers de zorgzame samenleving in een interview evenwel als de “terugkeer naar een pannetje soep”. Hij zei: “Ik vond dat een kabinet dat nogal bezig is te bezuinigen moet oppassen het te mooi voor te stellen”.

Door dit soort zwenkingen is het nooit wat geworden tussen Lubbers en de ideologen van het CDA. In tegenstelling tot hen wilde Lubbers niet de maatschappelijke vernieuwing aan het middenveld overlaten (sociale partners, scholen). De premier vond het beter om overheid en maatschappelijke organisaties samen problemen zoals werkloosheid te laten oplossen. De "tripartite' arbeidsvoorzieningenwet, waarin overheid, werkgevers en werknemers samenwerken, was een uitvloeisel van deze gedachte.

Deze aanpak kent echter ook zijn problemen. Deze wet toont gebreken en ook zijn de verantwoordelijkheden in de "tripartite' aanpak van Lubbers niet scherp afgebakend. In de Tweede Kamer is in dat verband de term neo-corporatistisch al meermalen gebezigd. Uitgerekend in het jaar van het jubileum van Lubbers heeft diezelfde Kamer besloten om de uitvoerende instanties op het gebied van de sociale zekerheid aan een enquête te onderwerpen. Het christen-democratisch ideaal van een samenleving zonder sterke overheid lijkt verder weg dan ooit.

De balans van de verwereldlijkte katholiek Lubbers is ook in andere opzichten in de richting van het wereldse doorgeslagen. Bij zijn opvattingen over de taken van de overheid laat hij zich eerder leiden door de economische conjunctuur dan door staatkundige idealen. In de jaren tachtig, toen Lubbers niet anders kon dan samen met de VVD "puin ruimen', begon hij de discussie over "kerntaken' van de overheid.

Zodra het echter economisch beter ging, schroefde Lubbers de pretenties van de overheid weer op. In 1990 sprak hij over een “nieuw overheidselan”. Grotere uitgaven voor onderwijs en milieu en een collectivisering van de gezondheidszorg werden in het regeerakkoord opgenomen.

Eén belangrijke poging heeft Lubbers nog gedaan om zijn handelen in de richting van het heilige ideaal bij te stellen. In een veelbesproken rede voor de Katholieke Universiteit in Nijmegen in september 1990 pleitte hij voor herstel van het normbesef. De passages over de terugdringing van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid ("Nederland is ziek') kregen de meeste aandacht. Ze waren slechts een onderdeel van zijn algemener pleidooi om door sociale vernieuwing en burgerzin mensen minder afhankelijk te maken van overheidsregelingen.

Het betekent een moeizame strijd voor Lubbers. Voor wie zijn leven lang naar openheid en dus het afbreken van schuttingen heeft gezocht, is het heilig verklaren van normen in zekere zin de weg terug. De sociale vernieuwing is in bestuurlijke maatregelen blijven steken, de WAO-maatregelen liggen zwaar onder vuur. Burgerzin is tot nu toe slechts onderwerp voor opiniepagina's.

Bovendien lijkt Lubbers opnieuw niet helemaal trouw te zijn aan eerder beleden principes. Als "ethische' politici zoals fractieleider Brinkman burgerzin concreet willen maken door een sociale dienstplicht voor te stellen, reageert hij daar instinctief afwijzend op. Burgerzin vindt hij best, maar alles met mate. Toch zal de premier het opkomend tij van morele aanspraken niet meer kunnen temperen. Hij heeft ze zelf mede opgeroepen.