Rijksrecherche is onmisbare corruptie-bestrijder

De onkreukbaarheid van ambtenaren en bestuurders, de vraag wat daaronder verstaan moet worden en de toegenomen twijfel over de zuiverheid van motieven bij overheidsoptreden vormen onderwerpen die zich mogen verheugen in een grote belangstelling. Het gewenste gedrag van overheidsdienaren en het voorkomen van afglijden zijn thema's waarover - inmiddels ook los van incidenten - in politieke partijen, in bestuurscolleges en op departementen intensiever wordt nagedacht. Nevenfuncties, belangenverstrengeling, relatiegeschenken, etentjes, snoepreisjes of gewoon corruptie, steeds dringt de vraag zich op wie nu eigenlijk bepaalt wat mag en kan en wat zeker niet kan.

Ook H.A. van Wijnen besteedde in zijn column op 17 oktober hieraan de nodige aandacht. En passant merkte hij daarbij op dat de corruptiebestrijding door de rijksrecherche zich sinds jaar en dag "in het geniep' zou afspelen. Hoewel niet te ontkennen valt dat de werkzaamheden van de rijksrecherche goeddeels buiten de publieke schijnwerper verricht worden - en dat is maar goed ook - suggereert Van Wijnen hiermee dat de rijksrecherche iets te verbergen zou hebben. Dat is geenszins het geval; de aard van het werk - dienstverlening - brengt met zich mee dat slechts anderen (minister van justitie, procureur-generaal bij het gerechtshof of hoofdofficier van justitie) openheid kunnen verschaffen. En openheid is niet steeds gewenst. Wanneer er bijvoorbeeld informatie binnenkomt dat een burgemeester een scheve schaats zou rijden en er geen sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit dan kan de rijksrecherche een oriënterend feitenonderzoek instellen. Is er sprake van een gerucht of is er echt iets aan de hand? Het onderzoek gebeurt zo low profile mogelijk; indien immers bekend wordt dat er een onderzoek is, treedt er reeds een bepaalde beschadiging op, die - ongeacht de uitkomst van het onderzoek - de legitimiteit van het vervolg-optreden van deze burgemeester aantast. En het zal niet de eerste keer zijn dat een oriënterend onderzoek de oorspronkelijke informatie naar het rijk der fabelen verwijst.

De rijksrecherche bestaat sinds 1897. Zij bestaat uit zo'n vijftig "bijzondere ambtenaren van politie', die steeds langdurige recherche-ervaring bij de Nederlandse politie hebben en die verdeeld zijn over vijf gebieden. Zij heeft voornamelijk een onderzoeksfunctie en wordt ingeschakeld indien objectief en onafhankelijk onderzoek nodig wordt geacht. Daarvan kan sprake zijn wanneer precaire verhoudingen een rol spelen, extra zorgvuldigheid nodig is of de zaak bijzonder publiciteitsgevoelig is. Anders dan velen denken beperkt het werkterrein van de rijksrecherche zich niet tot eventuele misdragingen - geweldsmisbruik, diefstal, corruptie - van de reguliere politie in Nederland.

Het betreft ook onderzoek naar mogelijk onoirbaar gedrag van leden van het openbaar bestuur, de rechterlijke macht en beoefenaren van bepaalde vrije beroepen zoals notarissen en advocaten. Voorbeelden zijn de ABP-affaire, de Bosio-zaak, het uitlekken van de afschaffing van de WIR, het dronken rijden door een rechter en het valselijk opmaken van authentieke aktes.

De kracht van optreden van de rijksrecherche heeft als basis haar staatsrechtelijke ophanging los van departementen, reguliere politie of lijnmanagement. De baas over elk van de vijf onderdelen is de procureur-generaal bij het gerechtshof. Om te voorkomen dat maar de schijn zou worden gewekt dat politieke motieven bij het opdragen van een onderzoek aan de rijksrecherche een rol spelen, is ook in de nieuwe ontwerp-politiewet het gezag aan de procureur-generaal opgedragen en is de minister van justitie slechts belast met het beheer.

De procureur-generaal geeft aan de rijksrecherche opdracht een bepaald onderzoek uit te voeren. Voor oriënterend onderzoek (om de feiten te inventariseren) draagt hijzelf verantwoordelijkheid; voor strafrechtelijk onderzoek is dat de betreffende hoofdofficier van justitie. Uiteraard is de minister van justitie politiek verantwoordelijk voor het inzetbeleid van de rijksrecherche. Maar mutatis mutandis geldt de onafhankelijkheid van het openbaar ministerie voor het al dan niet strafrechtelijk vervolgen in individuele gevallen ook voor de inzet van de rijksrecherche. De positionering van de rijksrecherche los van politiek Den Haag en los van de reguliere politie vormt dus een optimale waarborg voor waarheidsvinding. Dat onderscheidt haar onder andere van bijzondere opsporingsdiensten als AID en FIOD, waarvan het dan ook ongewenst is dat zij in eigen huis corruptie bestrijden. In delicaat corruptie-onderzoek waarbij belangen verstrengeld zijn en partijen gebaat zijn met zwijgen, is inschakeling van de rijksrecherche een goede en voor de hand liggende gedachte.

Ook voor de rijksrecherche zijn turbulente tijden aangebroken. Haar relevante omgeving verandert snel. Van de 165 politiekorpsen blijven er 25 over, waardoor veel onderzoek dat tot op heden door de rijksrecherche wordt gedaan, met behoud van distantie en objectiviteit binnen de politiekorpsen zelf zal kunnen gebeuren.

De georganiseerde criminaliteit neemt toe en voor een stijging van corruptie moet gevreesd worden. Niet alleen corruptie door politiemensen, maar ook van PTT'ers, accountants, belasting-inspecteurs, douane-mensen etc.

Onderwerpen die in betekenis toenemen zoals milieubeheer en (EG-)subsidieverlening kennen een vervlechting van overheid en particuliere sector. Fraude die zich hierbij voordoet zal vaak leiden tot een kritische beschouwing van de rol van de overheid. De relatie tussen de overheid en legale firma's - zich al dan niet schuldig makend aan organisatiecriminaliteit - voegt een extra dimensie toe aan de legitimiteit van het overheidshandelen, dat steeds meer onder druk zal komen.

Wat kan en mag moeten anderen uitmaken, over de wijze waarop zij haar onderzoek verricht heeft de rijksrecherche geen geheimen.