Rapport: universitaire lerarenopleiding voldoende

ROTTERDAM, 3 NOV. De kwaliteit van de universitaire lerarenopleiding kan de toets der kritiek doorstaan. Wel is de organisatie vaak nodeloos ingewikkeld waardoor de kwaliteit van de opleiding onder druk kan komen te staan. Het aantal niet gepromoveerde docenten met een onderwijstaak in de lerarenopleidingen is "zorgwekkend hoog'.

Dat schrijft de visitatiecommissie onder leiding van de Antwerpse hoogleraar F.R. Daems in haar vandaag verschenen eindrapport. In het rapport zijn de regionale samenwerkingsverbanden voor de opleiding tot eerstegraads leraren doorgelicht.

De universitaire lerarenopleiding (ULO) is sinds 1987 een tweede fase opleiding van één jaar met een voorbereidend studie-onderdeel van twee maanden in het doctoraalprogramma. Volgens de commissie heeft dit nieuwe kader zeker bijgedragen tot verhoging van de kwaliteit van de opleiding. Zij hekelt echter het feit dat de organisatie binnen de zes regionale clusters “vaak nodeloos complex is”. Het bewijs van die complexe organisatie wordt gevormd door “een absurd hoog aantal commissies”, aldus de commissie in haar rapport.

ULO-instituten zouden volgens de commissie meer zeggenschap moeten krijgen op het personele-en financiële vlak. Op dit moment is de beslissingsbevoegdheid terzake in handen van de deelnemende faculteiten.

Een "opvallende karakteristiek' van de ULO's noemt de commissie de kleinschaligheid van de activiteiten. Het aantal studenten per schoolvak is gering en docenten hebben doorgaans kleine tot zeer kleine dienstverbanden. Daardoor wordt de onderzoekstaak van de universitaire lerarenopleiders bedreigd. Volgens de commissie kan dit èn het feit dat er zo weinig docenten gepromoveerd zijn “funest zijn voor de positie van de vakdidactiek als universitair vak”.