Ouders aansprakelijk als zij hun kind niet laten vaccineren

Om religieuze redenen weigert een aantal groepen in Nederland inenting tegen poliomyelitis. Ook een deel van de antroposofen wijst inenting af. De kans is groot dat een wettelijke regeling met een vaccinatieplicht z'n doel voorbijschiet: de weigeraars blijven weigeren en betalen liever een boete dan zich aan inenting te onderwerpen.

Een meerderheid in de Tweede Kamer (CDA, VVD, D66 en kleine confessionele partijen) wijst verplichte inenting om meer principiële redenen af: volgens het Tweede Kamerlid Laning-Boersma (CDA) is het weliswaar onverstandig dat mensen zich niet laten inenten, maar moet de verantwoordelijkheid van degenen die geloof boven gezondheid stellen, worden gerespecteerd. In de discussie die zich in het parlement en in het kabinet afspeelt over een vaccinatieplicht blijkt het veelal te gaan om de afweging van de individuele vrijheid tegenover het collectief belang van de volksgezondheid.

Verbazingwekkend is het dat er veel minder wordt gesproken over de afweging van de individuele vrijheid om al dan niet tot inenting over te gaan en het individuele belang van het kind dat door de beslissing van zijn ouders getroffen kan worden door een ernstige ziekte. De hierboven aangehaalde woorden van Laning-Boersma zijn nog te begrijpen als het gaat om de beslissingsvrijheid van volwassenen die voor zich zèlf beslissen, maar klinken onredelijk als het gaat om ouders die het geloof of hun levensovertuiging plaatsen boven de gezondheid en daarmee het belang van hun kinderen.

Dat belang wordt op tal van andere plaatsen in het recht naar voren gebracht bijvoorbeeld in beslissingen over voogdij, omgang of maatregelen van kinderbescherming. Andere voorbeelden zijn te vinden in de discussie over de rechtspositie van minderjarigen, over een eigen rechtsingang voor minderjarigen en over het (eventuele) belang van kinderen bij het achterhalen van hun afstammingsgegevens. Kortom, er zijn voorbeelden genoeg om aan te tonen dat het belang van kinderen een belangrijk gegeven is bij uiteenlopende juridische beslissingen.

Maar in de discussie over de inenting tegen polio wordt slechts geringe aandacht besteed aan de juridische positie van kinderen en aan hun belang om niet in hun gezondheid te worden benadeeld. Zij zijn afhankelijk van hun wettelijk vertegenwoordigers die voor hen de beslissing nemen of ze al dan niet worden ingeënt. Daarmee is ook de beslissing genomen of deze kinderen worden blootgesteld aan de kans om een ziekte te krijgen met ernstige gevolgen.

Kunnen deze kinderen worden beschermd tegen de beslissing van de ouders om niet in te enten, zelfs niet ten tijde van een epidemie? Afgezien van de vraag of een wettelijke plicht een voldoende dwangmiddel zou opleveren voor ouders om hun kinderen te laten inenten, zijn er wellicht andere mogelijkheden in het recht.

Om te beginnen is het verdedigbaar dat de rechter een kinderbeschermingsmaatregel neemt als bijvoorbeeld de officier van justitie of de Raad voor de kinderbescherming daartoe een procedure begint. Bij Jehova-getuigen die bloedtransfusies voor hun kinderen weigeren - en daarmee hun kinderen in levensgevaar brengen - kan een ondertoezichtstelling uitkomst bieden indien het kind acuut met lichamelijke ondergang wordt bedreigd. Ook in geval van een polio-epidemie kan een ondertoezichtstelling worden uitgesproken omdat het kind bedreigd wordt met lichamelijke ondergang (zeker in gebieden waar principieel niet wordt ingeënt).

Reeds in 1951 schreef de rechtsgeleerde Ch. Petit (De godsdienst in de rechtspleging, Rechtsgeleerd Magazijn Themis 1951, p. 314): “Hetgeen in het algemeen wanbeleid is, kan niet aan rechterlijk ingrijpen zijn onttrokken om de enkele reden dat daaraan een standpunt omtrent den godsdienst ten grondslag ligt.” Ook zonder een wettelijke plicht tot inenten kan dus een maatregel van kinderbescherming worden uitgelokt, waarna de kinderen alsnog kunnen worden ingeënt.

Er is nog een derde juridische mogelijkheid om de belangen van kinderen te beschermen, zij het dat die bescherming veelal pas achteraf gestalte kan krijgen, als het leed al is geschied. Het kind dat verlamd raakt, kan zijn ouders aanspreken tot het betalen van schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen. Dat zal dan pas kunnen na de meerderjarigheid van het kind; tot die tijd is hij handelingsonbekwaam en kan hij niet zelfstandig in rechte optreden: hij is immers afhankelijk van zijn wettelijk vertegenwoordigers. In een eerder verband (Als een goed huisvader, afscheidsbundel J.H. Nieuwenhuis 1992, p. 133 e.v.) heb ik verdedigd dat een schadevergoedingsaanspraak binnen familierechtelijke verhoudingen mogelijk is en dat het schadevergoedingsrecht in de verhouding tussen ouders en kinderen kan worden toegepast. De relatie tussen ouders en kinderen vormt een subcultuur, waarin aparte regels gelden voor de beoordeling van onrechtmatig gedrag. Die subcultuur brengt met zich mee dat de rechter in de regel terughoudend zal moeten zijn bij zijn beoordeling van het gedrag van de ouder. De ouder heeft immers bij de opvoeding en verzorging van het kind een grote beleidsvrijheid, bijvoorbeeld in de religieuze opvoeding. De rechter moet daar in beginsel van afblijven. Maar aan deze beleidsvrijheid zijn grenzen gesteld: de rechter zal kunnen beslissen dat een ouder in de uitoefening van zijn taak onzorgvuldig handelt indien dat handelen in redelijkheid niet is te beschouwen als een behoorlijke behartiging van de belangen van het kind. Bij dat oordeel moeten ook andere gezichtspunten worden betrokken, zoals de aard van de schade die het kind lijdt, de voorzienbaarheid daarvan en de vraag of de ouder nodeloos een gevaarlijke situatie in het leven heeft geroepen. Bij een polio-epidemie handelen de ouders onrechtmatig ten opzichte van het kind als zij zelfs op dàt moment niet tot inenting overgaan: zij stellen het kind bloot aan een gezondheidsrisico met mogelijkerwijs ernstige gevolgen.

Weliswaar is de kans dat zich uiteindelijk verlammingsverschijnselen zullen voordoen wellicht klein, maar de schadelijke gevolgen zijn blijvend en ten tijde van een epidemie voorzienbaar. Vrijheid van godsdienst of vrijheid van levensovertuiging kunnen nimmer een rechtvaardiging opleveren voor inbreuken op de lichamelijke integriteit van kinderen. Bij een botsing tussen de rechten op godsdienstvrijheid en het recht op lichamelijke integriteit, zal het laatste voor gaan. Het besluit om niet in te enten tegen polio levert de grondslag op voor een aanspraak van het gehandicapte kind jegens de ouders op schadevergoeding, zowel materieel als immaterieel (smartegeld).