Ontsnappingsroutes

De wereld lijkt steeds meer verdeeld in mensen die te veel en die te weinig werken, de do's en de dont's, en het lijkt of die kloof steeds groter wordt.

Zowel de werkloosheid als de werkdruk neemt toe, en het een heeft met het ander te maken. Om te bezuinigen worden mensen ontslagen, wat de werklast voor de overgeblevenen vergroot. Of de arbeidsproduktiviteit moet worden opgevoerd, waardoor mensen onder toenemende druk komen te staan. Sommigen houden dit vol, maar ook hun leven wordt er niet leuker op. Sommigen bezwijken, vallen af, komen in ziektewet of nemen ontslag, wat de werkdruk voor de anderen alleen maar weer vergroot.

Overdrijf ik? Ik vrees van niet. Ik hoor niet anders en merk niet anders, en ik ben er tegen. Ik weet inmiddels dat het slechts God, Jupiter en Mulisch gegeven is te leven zoals ze willen, maar is het nou nodig dat zoveel mensen leven zoals ze helemaal niet willen? Ik wou het even niet hebben over armoede, ziekte, mishandeling of andere vormen van flagrante pech of onrecht waartegen het zich moeilijk weren valt. Het gaat me hier om het bestaan op scholen, bedrijven, instituten, universiteiten, waar het werk op zichzelf interessant is maar steeds meer overwoekerd wordt of onder druk gezet. Door nieuwe plannen om iets te herstructureren dat eigenlijk goed werkte, door pogingen tot schaalvergroting van wat juist op kleine schaal beter functioneert, door plannen voor centralisatie of juist weer decentralisatie als het eerste bijna voltooid is, en door het eindeloze overleg waarmee deze moeizame pogingen gepaard gaan. Het eigenlijke werk komt behoorlijk in het gedrang, verschuift naar de avonduren, of kwijnt weg in algehele moedeloosheid.

“Als ik niet zo veel aan mijn hoofd had, zou ik veel meer doen”, luidde de kop van een somber stemmende ontboezeming van de psychiater Gersons, een geluid dat je vaak hoort in persoonlijke flarden maar zelden schriftelijk verwoord ziet. Mooi verwoord wordt deze frustratie ook door de filosoof Cornelis Verhoeven, gevraagd naar wat hem als hoogleraar aan de universiteit het afgelopen jaar (1991) het meest had beziggehouden: “Tot mijn ergernis (...) was ook 1991 weer een jaar waarin de bijzaken de hoofdzaken schaamteloos overwoekerden en aan het zicht dreigden te onttrekken.” Met hoofdzaken bedoelt hij onderwijs en onderzoek, met bijzaken “een onafzienbare hoeveelheid klussen die geacht worden een incidenteel en voorlopig karakter te hebben”.

Dit is de situatie op de universiteit; elders zal het weer anders wringen. Het gaat hier niet eens zozeer om een teveel maar om een teveel van het verkeerde, of een wanverhouding tussen hoofd- en bijzaken. Wat valt hieraan te doen, of hoe kun je je hier tegen teweer stellen? Getuigt berusting van middelbare wijsheid, of van het begin van de intellectuele uitverkoop? Is cynisme verstandig of dan tenminste geestig, of tast het uiteindelijk de creativiteit aan, zoals gif de gezondheid? Of gaat het vooral om de kunst ontsnappingsroutes te creëren, zoals terugtrekgedrag, selectieve vergeetachtigheid, of de prettige verdoving van een deadline?

“Afgezien van enkele kleinigheden die ik in 1991 heb kunnen schrijven door bijtijds de werkplek te ontvluchten”, vervolgt Verhoeven, en hij is niet de enige die er op deze manier een mouw aan past.

Maar al die individuele mouwen maken nog geen goed zittend jasje, en verbergen nauwelijks het feit dat er iets goed misgaat met de universiteit. De monden en papieren raken steeds voller van beleid en steeds leger van inhoud. De mensen raken steeds drukker met voorwaarden en regelingen, maar komen steeds minder toe aan waar het ooit om ging: onderzoek, nadenken en publiceren. Voor hun onderwijs putten ze uit vroeger werk en eerdere gedachten, geen tijd als er is voor regelmatige verversing. Ze lijden aan de inflatie van hun werk, en als ze dat niet doen is het pas echt alarmerend.

Als je later op je leven terugkijkt - iets waar ik op jonge leeftijd al mee begonnen ben - dan wil je toch niet hoeven zeggen dat de jaren verdampt zijn in het vergaderen over randvoorwaarden, en het eigenlijke werk er bij ingeschoten is. Om van het plezier nog maar te zwijgen.

    • Christien Brinkgreve