Komma vóór en

Een kommaneuker. Zo word ik wel eens genoemd - meestal door lieden die zelf te lui zijn om de moeite te nemen gebruik te maken van, of zelfs na te denken over, de mogelijkheden die dit leesteken biedt. Te lui of te bot, want “van alle leestekens is de komma het interessantste (zowel voor het gebruik als voor de analyse), het subtielste en het gevarieerdste”, zoals Jacques Drillon schrijft in zijn Traité de la ponctuation française (Gallimard, 1991).

Ik zal hier niet opnieuw proberen aan te tonen dat er een verschil is tussen “de leerlingen, die hun huiswerk hebben afgemaakt...” en “de leerlingen die hun huiswerk hebben afgemaakt...” Ik zal mij bepalen tot het gebruik van de komma vóór het woordje en.

Op de lagere school heb ik geleerd dat er vóór en nooit een komma mag staan. Dat is, zoals mij al vrij gauw duidelijk is geworden, geen juiste les geweest, want in een zin als “De minister-president, drs. Lubbers, en de minister van buitenlandse zaken...” hoort er kennelijk een komma vóór en te staan.

Er is een ander gebruik van de komma vóór en dat ik weliswaar niet, zoals in het zojuist gegeven voorbeeld, noodzakelijk vind, maar toch wel erg nuttig. Dat is wanneer een zin van onderwerp wisselt. Ik geef een paar voorbeelden.

Die voorbeelden ontleen ik aan een artikel van de neerlandicus M.C. van den Toorn, emeritus hoogleraar te Nijmegen, in de Staatscourant van 12 oktober. Met de inhoud van dat artikel, dat over taalverandering gaat, ben ik het helemaal eens. Ik heb het deze keer dan ook niet over taal in de strikte zin van het woord, maar over het gebruik (of niet-gebruik) van de komma (dat, evenals de taal, de bedoeling van de schrijver kan verduidelijken). Prof. Van den Toorn heeft kennelijk een andere opvatting van dat gebruik dan ik.

De voorbeelden die ik uit zijn artikel haal zijn de volgende: “Als dat niet het geval was, zouden wij nu nog spreken zoals in de Middeleeuwen en dat dat nou eenmaal niet zo is, kan iedereen wel begrijpen.”

“We zijn nu eenmaal gewoontedieren en wanneer zo iets wezenlijks als de eigen taal in het geding is, weten we helemaal niet meer waar we aan toe zijn.”

“De tijd zal ons leren welke leenwoorden het zullen uithouden en dan maakt niemand zich meer dik.”

“Aan een poging tot vertaling wordt niet eens meer gedacht en dat ergert veel Nederlanders.”

“Veel mensen beseffen dat en daardoor ontstaat hypercorrectie, dat wil zeggen: goedbedoelde maar onjuiste verbetering.”

In elke van de vijf geciteerde zinnen zou ik vóór en een komma hebben gezet, want met en verandert de zin hier van onderwerp. Ik beweer niet dat die komma daar moet staan, maar zij helpt, daar geplaatst, de lezer wel. Staat zij er niet, dan zou de lezer, denkend dat hetzelfde onderwerp de hele zin beheerst, wel eens op het verkeerde been gezet kunnen worden. Hij is dan gedwongen de zin opnieuw te lezen. Dat is vooral vaak het geval wanneer en aan het eind van een regel staat.

Overigens zou ik ook - maar nu heb ik het niet meer over de komma vóór en - in deze zin: “Waarom (...) is het ondraaglijk dat veranderingen die we om zo te zeggen op heterdaad betrappen, ineens zo erg zijn?” de vier woorden om zo te zeggen tussen komma's hebben gezet. Zij vormen geen integrerend deel van de zin. (De geciteerde zin bevat trouwens, naar mijn mening, een pleonasme: iets wat “zo erg” is of gevonden wordt, is bijna per definitie “ondraaglijk”.)

Ik merk ook op - maar nu heb ik me helemaal van de komma verwijderd - dat prof. Van den Toorn allang en tenslotte schrijft (in één woord). Ik maak me daar niet druk over, maar Van Dale (elfde druk) vindt dat al lang (in de zin van reeds lange tijd) niet “aaneen te schrijven” is, terwijl het tenslotte wel als een apart, aaneengeschreven woord opneemt, maar onder slot het in twee woorden schrijft. Aardig te weten voor een jurylid bij het jaarlijkse Groot Dictee der Nederlandse taal.

Ik heb nog wat ruimte, die ik gebruik voor een paar taalcuriositeiten die ik de afgelopen vier weken tegenkwam:

“Er is misschien één troost: we zijn, meer dan welk land ook, klaar voor Europa. Dat is waarschijnlijk te voorbarig.” Voorbarig betekent: te vroeg.

“Zorgvuldig met mensen omgaan, dat probeer ik na te streven.” Maar soms lukt dat nastreven, laat staan dat zorgvuldig omgaan, niet?

“Het Eindhovense Muziekcentrum van buiten: quasi-historiserende stijl.” Òf quasi-historisch òf historiserend.

“Hoewel ook een president van Brazilië onschuldig is tot het tegendeel is bewezen, zijn er nog maar weinigen die niet geloven dat president Collor geen groot geldelijk voordeel heeft genoten van de handel in gunsten.” Dus velen geloven dat hij geen geldelijk voordeel heeft genoten. Waarom is hij dan afgezet?

“Hoe frustrerend, hoe beledigend, hoe onzuiver immers dat Filippino's noch Indonesiërs helemaal niet die eervolle harmonie van volstrekte gehoorzaamheid en loyaliteit opbrachten die binnen de Japanse samenleving goed gebruik was.” Ook hier lijkt de schrijver in zijn negatieven verstrikt te zijn geraakt.

“Tijdens de referenda in Denemarken en Frankrijk is gebleken dat het verdrag van Maastricht en de EG bij de bevolking in meer of mindere mate omstreden zijn.” Ook in meer mate?

“Daarna treedt een politieke stilte in rond het te adviseren onderwerp.” Wordt het onderwerp geadviseerd?

“Waarom het vliegtuig de twee rechtermotoren heeft verloren is niet duidelijk.” Er was ook geen reden voor.

“Menige jonge kunstenaar zal hem nu als zodanig herinneren.” Het is nog altijd: zich herinneren.

In mijn vorige taalrubriek (22 september) nam ik deze annonce op: “Door een noodlottig ongeval, nam de Heere van onze zijde onze lieve...” Een lezeres maakt mij er op opmerkzaam dat in zeer protestants-orthodoxe kringen het ongeval wordt gezien als een instrument waarmee de Heere zijn ondoorgrondelijke beschikkingen volvoert. In die gedachtengang is door het juiste woord.

Dat kan met minder recht gezegd worden met betrekking tot deze zin: “Het hengsel brak waardoor de jongens de vlucht namen.” Overigens zou ik in het eerste citaat geen komma geplaatst hebben en in het tweede wèl (namelijk na brak). En zo zijn we weer terug bij de komma.

    • J.L. Heldring