Japanse banken willen hun slechte leningen slijten; Speciaal instituut moet ademruimte verschaffen

TOKIO, 3 NOV. De discussie in Japan over de soliditeit van de Japanse banken is opnieuw opgelaaid door de officiële bekendmaking eind vorige week dat de 21 grote Japanse banken 12,3 biljoen yen (176 miljard gulden) aan slechte leningen hebben uitstaan, 54 procent meer dan het ministerie van financiën eerder dit jaar wilde toegeven. Het gaat om kredieten die zijn verstrekt aan speculanten tijdens de bubble-economie.

Onder slechte leningen verstaat het ministerie leningen waarover de banken al zes maanden lang geen rente meer ontvangen. Van de 12,3 biljoen yen is 8,3 biljoen yen gedekt door onderpand en 4 biljoen yen niet gedekt. Het onderpand is veelal onroerend goed, zoals grond en gebouwen, dat sterk in prijs is gedaald en dat bij liquidatie de onroerend-goedmarkt zou doen instorten. Banken zouden dan vrijwel het hele bedrag kwijt zijn. Ze kunnen beter het verlies stukje bij beetje afschrijven.

De banken zijn daarom met het plan gekomen om een instituut op te richten dat hen moet helpen bij de sanering van hun slechte leningen. Leningen die hen steeds zuiniger maakt bij nieuwe kredieten aan bedrijven, wat de economische groei sterk remt.

Rechtstreeks afschrijven mag wel, maar het verlies mag dan van de fiscus niet ten laste van de fiscale winst worden gebracht. Door de leningen te verkopen aan het instituut tegen een gereduceerde prijs, maken ze daadwerkelijk verlies en dat verlies mag wel van de winst worden afgetrokken waarover ze belasting moeten betalen.

Door de leningen te verkopen zijn de banken bovendien de slechte leningen op hun balans kwijt. Daarvoor in de plaats komen "goede' leningen, namelijk geld dat de banken lenen aan het instituut en waarmee het instituut de aankoop financiert van de slechte leningen van de banken.

De vraag die critici bezighoudt is waarom het instituut wel zou slagen in de verkoop van het onroerend goed en de banken niet? In elk geval heeft het instituut 10 jaar de tijd, want zo lang is voor zijn bestaan uitgetrokken. Als het instituut het vroeg of laat lukt het onroerend goed zonder verlies te verkopen kan het de leningen aan de banken terugbetalen. Maar als het onroerend goed later met verlies wordt verkocht, dan komt het instituut in de problemen en de banken alsnog ook. De hele operatie is dan uitstel van excecutie: goed blijkt alsnog slecht te zijn.

De critici verdenken de banken daarom van heel andere bedoelingen. Zij menen dat de werkelijke omvang van de slechte leningen veel groter is, 20 en mogelijk zelfs 30 biljoen yen, en ze zeggen dat de banken in feite de omvang van hun slechte leningen voor het publiek willen verbergen door er goede leningen van te maken. Maar het ministerie van financiën zegt dat het instituut de slechte leningen juist zichtbaar zal maken.

Volgens de critici wordt dat niet duidelijk uit de plannen en laat het ministerie de leningen buiten beschouwing waarop rentekortingen zijn gegeven (anders waren de debiteuren helemaal in gebreke gebleven) en de leningen van de zogeheten non-banken. Zo zouden de hypotheekbanken al voor vijf biljoen yen aan slechte leningen hebben uitstaan. Volgens hen wil het bankwezen met het instituut voorkomen dat het publiek een run op de banken begint. Banken zijn voor interbancaire zaken elektronisch met elkaar verbonden. Omvallen van sommige financiële instellingen zou een schokeffect teweegbrengen.

Financiën zegt dat het met de omvang van de slechte leningen nog steeds wel meevalt - hoewel het er rekening mee zegt te houden dat het bedrag verder zal oplopen om vervolgens volgend jaar te dalen. Tenslotte hebben volgens Financiën de 21 grote banken in totaal 396 biljoen yen aan leningen uitstaan. Bovendien hebben ze 3,1 biljoen yen in hun stroppenpot zitten en nog eens 14,6 biljoen aan (ongerealiseerde) vermogenswinst op hun effectenbezit.

Maar volgens de critici zijn sommige banken niet eens meer in staat hun verliezen op slechte leningen te compenseren met de vermogenswinst op hun effecten. Tien van de elf grote city-banken schreven in het eerste halfjaar 415,7 miljard yen vermogenswinst af, als gevolg van de scherpe daling van de Nikkei. En de 21 banken, waaronder de elf city-banken hebben de stroppenpot met in totaal 392 miljard yen verhoogd.

Financiën wijst liever op de winst op de kernactiviteit van de banken. Die winst nam voor alle 151 Japanse banken in de eerste helft van dit boekjaar toe met 43 procent tot 2,36 biljoen yen. Dat kwam doordat twee renteverlagingen plaatshadden en de banken zodoende goedkoper geld konden aantrekken.

Maar de critici wijzen op de totale winst (voor belastingen), die 31 procent lager uitkwam op 1,11 biljoen yen, en op de netto winst, die 35,2 procent lager uitkwam op 567,9 miljard yen. Die daling ontstond doordat de banken dit keer, overigens op aandrang van het ministerie, geen effecten hebben verkocht om hun winsten een mooier aanzien te geven.

De discussie is nog lang niet verstomd. Evenmin als de kritiek op de banken, die aanhoudt zolang de banken zelf, die behoren tot de grootste ter wereld de werkelijke omvang van hun slechte leningen niet bekendmaken.