"Ik ruk alle homo's de kop af'

Op een mooie zondag in juli lag Maurice Delberts, een Amsterdammer van in de dertig, te zonnen op het nudisteneilandje in het Sloterparkzwembad te Amsterdam. Er waren twee kinderen van zes en zeven jaar in zijn gezelschap. Hun moeder, een vriendin van Delberts, bevond zich met een vriend in het water. Het liep tegen sluitingstijd toen vier jonge mannen - tussen de twintig en de drieëntwintig - passeerden.

Delberts beweert dat een van de mannen, die hij als "de Marokkaan' zal aanduiden, hem begon te sarren. “Zo vieze homo, die kindertjes ga je straks zeker lekker neuken. En dat meisje een beetje afzuigen, hè?” Een van de andere mannen, een blonde, voegde nog een scheutje agressie toe: “Ik sla je helemaal verrot, viezerik. Ik ruk alle homo's de kop af.”

Delberts zag verlamd van schrik toe hoe de vier mannen een halve cirkel om hem vormden. "De Marokkaan' en "de blonde' hadden duidelijk de leiding, ze vernederden en spuugden hem voordat ze klappen en trappen begonnen uit te delen. “Het ergste”, zou Delberts later zeggen, “was dat die kindertjes dat allemaal van nabij moesten meemaken. Ze waren later totaal overstuur.”

Toen de vriendin en vriend van Delberts uit het water kwamen, werd de aandacht van de belagers even afgeleid. "De Marokkaan' stortte zich op de vriend, gaf hem een aantal klappen en vernielde zijn bril terwijl hij uitriep: “Ik ga je vermoorden”. De vriendin had intussen enkele badmeesters gealarmeerd. Ook zij werden even aangevallen, maar toen één van hen een karateka bleek, dropen de aanvallers af.

Tot zover de lezing van Delberts en diens vriend. Wat hebben hun belagers vandaag voor de Amsterdamse politierechter hierop te zeggen? Bitter weinig. Met gespeelde onverschilligheid zitten ze voor de rechter, mevrouw mr. G. van Dijk, die moeite moet doen om haar ergernis te onderdrukken. Hun namen: Breukers ("de Marokkaan'), Zandvliet ("de blonde'), Roossien en Van der Woude.

“Wat is er volgens u gebeurd?” vraagt de rechter aan Breukers.

“We liepen daar”, zegt Breukers, “en toen riep die man naar mij: Wat heb jij een lekker kontje”.

“Was dat die meneer die hier in de zaal zit?”

Breukers kijkt vluchtig over zijn schouder naar de tweede rij, waar Delmers met zijn vriendin zit. “Weet ik niet”, zegt hij. “Hij lijkt er wel op.”

Vervolgens geeft hij toe dat hij Delberts een duw heeft gegeven. “We hebben hem ingesloten, maar niet geslagen. Tegen die man die erbij kwam, heb ik niet gezegd dat ik hem zou vermoorden. Ik heb alleen maar zijn bril gepakt.”

Ook de andere verdachten heten haas met een hoofdletter.

“Ik heb alleen geschopt om me te verdedigen”, zegt Zandvliet.

“Ik heb niet aan de vechtpartij meegedaan”, zegt Van der Woude. “Het was niet de bedoeling om homofielen lastig te vallen.”

“Er is maar één keer geslagen”, beweert Roossien.

Ze moeten desgevraagd toegeven dat ze de opmerking over Breukers' "lekkere kontje' niet zelf gehoord hebben - dat heeft Breukers hun naderhand verteld.

De rechter wendt zich tot Delmers. “Wilt u een vordering indienen?” vraagt ze. “Nee”, zegt Delmers, “daarvoor ben ik niet hier”. Hij wil morele genoegdoening. Tegen de politie had hij eerder gezegd: “Niet dat het er verder veel toe doet, maar ik ben niet eens homo”.

Dan neemt de rechter met de verdachten hun justitiële documentatie door. Zandvliet zit op dit moment een straf van drieëneenhalf jaar uit voor bedreiging en geweldpleging. Roossien heeft al twee jaar uitgezeten voor diefstal-met-geweld en Van der Woude mocht twintig maanden opknappen voor afpersing. Alleen Breukers is nog lelieblank.

“Heeft u een vak?” vraagt de rechter aan Roossien.

“Nee.”

“Waar leeft u van?”

“Van een uitkering, geloof ik.”

“En uw beroep?” vraagt de rechter aan Breukers.

“Een uitkering”, zegt hij.

Zandvliet kan momenteel geen beroep uitoefenen, want hij is gedetineerd. Blijft over Van der Woude. Hij is na het uitzitten van zijn gevangenisstraf als parttimer in het jongerenwerk terechtgekomen. Het jongerenwerk?

“Hoe kunt u dat rijmen met uw gedrag in dat zwembad?” vraagt de officier van justitie, mevrouw mr. J. Sassenburg, verbouwereerd.

“Dat is iets uit de hand gelopen”, schouderophaalt Van der Woude.

“Iets?”

De verdachten vallen de rechter en de officier steeds weer in de rede. Sissend, schamper lachend, elkaar aanstotend. Vooral Zandvliet gedraagt zich als een vleesgeworden interruptiemicrofoon.

“U moet toch zo langzamerhand weten wanneer u hier uw mond moet houden”, wijst de rechter hem terecht met een venijnige toespeling op zijn strafblad.

De officier geeft haar verontwaardiging ruim baan. “Toen ik het dossier voor het eerst zag, dacht ik: ik had ze graag meteen vastgezet. Ik vond het walgelijk. En nu ik hier hun houding zie, zeg ik opnieuw: walgelijk.” Zij eist een maand onvoorwaardelijke gevangenisstraf tegen Zandvliet, Roossien en Van der Woude en drie weken tegen Breukers.

De advocate van Zandvliet vraagt om vrijspraak. Ze vindt het onjuist dat alle verdachten op één lijn worden gesteld. Haar mannelijke confrater, die Roossien en Breukers moet verdedigen, is het met haar oneens. “Hier moet het principe van samen-uit-samen-thuis worden gehanteerd. Ieder van hen is even verantwoordelijk voor deze nare gebeurtenis.” Hij vraagt alternatieve straffen voor zijn cliënten.

“De houding van de verdachten verzet zich hiertegen”, reageert de officier nors.

De rechter geeft de verdachten het laatste woord.

“Het is allemaal zwaar opgeblazen”, zegt Roossien.

“Ik ben trouwens geen Marokkaan”, zegt Breukers.

“Ik zou mezelf ook walgelijk vinden als het zo was gegaan”, zegt Zandvliet.

“Kunt u een reden opnoemen waarom die meneer dit zou verzinnen?” vraagt de rechter.

“Vraag dat maar aan hem.”

De rechter veroordeelt de mannen allen tot dezelfde straf: een maand onvoorwaardelijk. “Dienstverlening wijs ik af”, zegt ze nadrukkelijk.

De mannen stommelen, licht grijnzend, naar de uitgang. Een bewaker roept: “Zandvliet, meekomen!” De gedetineerde neemt met een hartelijk handdruk afscheid van zijn maten.

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.