IGOR CORNELISSEN; "Een journalist moet gewoon zijn werk doen'

Bijna vijfendertig jaar zit Igor Cornelissen nu in de journalistiek. Hij begon bij Het Vrije Volk en belandde via Het Parool bij het weekblad Vrij Nederland (“Ik kwam daar met een totaal andere lading binnen”). Hij was twaalf jaar lang aanhanger van Leon Trotski, legde een grote belangstelling aan de dag voor de geschiedenis van de Tweede Wereldoolog en schreef een reeks boeken. Onlangs hield Cornelissen onder de titel "Over vroeger' zes vraaggesprekken met oudere journalisten voor Vrij Nederland, aanleiding om met Cornelissen te praten over zijn eigen journalistieke loopbaan.

De journalistieke carrière van Igor Cornelissen (57) begon in 1956 bij het dagblad Het Vrije Volk, dat hem in Deventer stationeerde. Twee en een half jaar later ging hij naar Amsterdam om politieke en sociale wetenschappen te studeren. Hij bracht het tot voorzitter van de linkse studentenbeweging Politeia en ontwikkelde een voorkeur voor het Trotskisme. In 1960 keerde hij terug naar de journalistiek.

In 1962 begon Cornelissen bij Vrij Nederland als bureauredacteur. Hij moest onder meer de Indonesische recepten van Beb Vuyk "doorgeven': “Ik belde mevrouw Vuyk op met de vraag of die dertien tenen knoflook niet wat veel waren. Dan kreeg ik zo'n Balinese moesson over me heen, dertien tenen waren dertien tenen. Rang, telefoon erop.” Maar al snel kon hij zijn eigen gang gaan. Dat wil zeggen, de toenmalige hoofdredacteur, Mathieu Smedts, stuurde hem nog een keer naar een PvdA-congres, want Vrij Nederland was toen nog een sociaal-democratisch weekblad. En zijn opvolger, Rinus Ferdinandusse, probeerde het nog twee keer: met de opdracht om vraaggesprekken te voeren met stuntman Wim Wagenaar en Sammy Davis junior. Maar toen was al duidelijk: Igor Cornelissen was de man van de specialismen: Oost-Europa, sociale strijd in het algemeen en het communisme in het bijzonder, alsmede de Tweede Wereldoorlog.

“Jan Eijkelboom, de kunstredacteur, beheerde de rubriek In het vizier”, herinnert hij zich. “Die vroeg op een gegeven moment of ik daar nog een bijdrage voor had. Ik zei: Ja, de haven gaat over een uur plat. Hij zij: Wat? Hij wist niet wat dat betekende. Ik kwam daar met een totaal andere lading binnen.” Cornelissen ontwikkelde een bijzondere band met hoofdredacteur Smedts. “Ik kon met hem praten over de Tweede Wereldoorlog en het Engeland van de jaren dertig. Dat was voor de anderen ouwe-lullengepraat.” Hij omschrijft de hoofdmoot van zijn journalistieke oeuvre als Zeitgeschichte. “Daarmee heb ik me bij VN nooit een grote populariteit verworven. Je maakt sneller de blits met een interview met de burgemeester die zich verspreekt. Dan "ontlok je mensen een uitspraak'. God bewareme, ik word daar kotsmisselijk van. Ik heb er nooit iets voor gevoeld mensen een uitspraak te ontlokken. Je kunt mensen wel een verháál ontlokken, iets wat ze nooit hebben willen vertellen.”

In de jaren zestig was de belangstelling voor de Tweede Wereldoorlog niet groot, constateert Cornelissen met enige bitterheid. “Toen De Ondergang van Presser verscheen heb ik een nichtje van mij geïnterviewd, een van de tweehonderd Nederlandse vrouwen die Auschwitz hadden overleefd. Dat kostte mij persoonlijk zeer veel moeite. Zij was met haar moeder in Auschwitz gearriveerd; haar moeder ging de ene kant op en werd binnen een half uur vergast, mijn nichtje kwam terecht in de experimentenbarakken. Samen met een vriendin vertelde ze mij het verhaal van hun overleving.

D aarbij heb ik passages uit postkaarten gepubliceerd die de niet-overlevenden uit mijn familie uit de trein hadden gegooid. Daar is toen door niemand op gereageerd. Niet één uitgever heeft gebeld. Terwijl nu godverdomme de herinneringen worden uitgegeven van de vriend van de groenteboer van de vriendin van Anne Frank. Ik vind dat misselijkmakend.''

Begin jaren zestig werd hij lid van het politiek bureau van de Nederlandse sectie van de Vierde Internationale. “Later kwam er een splitsing, en toen waren wij "de Revolutionair Marxistische Tendens'. Terugkijkend denk ik: wat een dwaasheid. Maar door de Trotskisten ging ik wel ongelofelijk veel lezen, over Indonesië, Zuid-Amerika. Die mensen hadden goeie analyses, alleen de conclusies deugden niet. Die was altijd: "En dáárom zal de revolutie dit en dat...' Mei '68 in Parijs, dat was natuurlijk een geweldige gebeurtenis. Mijn Frans ging stukken vooruit, Le Monde spelde je.

“Ik zat vaak in Tsjecho-Slowakije, versloeg het neerslaan van de Praagse lente. Ik was een Dubcek-aanhanger, het communisme met een menselijk gezicht. Communisme kon volgens hem ook democratisch zijn. Wat nu natuurlijk absolute onzin is.” Op een van zijn vele reizen naar het Oostblok veroorzaakte Cornelissen bijna een incident: “In Bulgarije, aan de grens met Joegoslavië.

E en vriendin van mij gaat daar na flink aan de slivo- vitsj te hebben gezeten een pittoresk beekje fotograferen. Meteen rukte een peloton soldaten met karabijnen uit. Op het politiebureau moest ik mijn naam opschrijven: Igor, dat was een Russische voornaam, die stomme Joegoslaven dachten dat ik een Komintern-agent was.''

Tot 1972 was hij Trotskist. “We hadden in de jaren zestig nog een redactieraad, bestaande uit PvdA-leden. Suurhoff (oud-voorzitter van de PvdA, red.) zat daarin, die zei tegen Smedts: "Die Trotskist moet eruit'.” Zijn mederedactieleden waren niet van zijn politieke voorkeur op de hoogte. Die bleek ook niet uit zijn werk, zegt Cornelissen: “Ik heb kameleontische trekken. Net als Zelig, in die film van Woody Allen. Die figuur sprak mij zeer aan. Een goed journalist moet in andermans huid kunnen kruipen.” Hij spendeerde twee dagen bij gewichtheffers in een opleidingskamp in Bulgarije. “Toen was ik ook gewichtheffer en ik sprak op niveau.”

Hij gaat er prat op de enige te zijn die is "gecensureerd' bij Vrij Nederland: “Ik mocht niet op de voorpagina schrijven. Ik heb er tòch op gestaan, maar dan stond er de naam Ferdinandusse onder, of géén naam.” Hij bereisde vrijwel alle Oosteuropese landen, maar visumaanvragen voor China bleven stelselmatig onbeantwoord. “Want ik schreef op wat de culturele revolutie wèrkelijk was: een ordinaire machtsstrijd in de top. Ik had ook de goeie literatuur van de Trotskisten tot mijn beschikking. Toen was ook al bekend dat daar concentratiekampen waren, met miljoenen mensen erin.”

In 1983 verscheen het eerste deel van zijn memoires, Van Zwolle tot Brest-Litowsk. Voor het tweede deel wordt nog steeds materiaal verzameld. Onlangs verscheen Ode aan een slecht mens, de biografie van zijn oom Jopie de Vries. Mensen die zijn stukken lazen, schrijft Cornelissen in zijn boek, dachten altijd dat hij ouder was dan hij bleek te zijn. “Dat komt omdat ik als eerste een serie indringende artikelen heb geschreven, in '66, met mensen die Marinus van der Lubbe nog hadden gekend. Ik interviewde mensen die in '31, '32 nog met hem hadden geworsteld. Of de man die secretaris van Mussert was geweest, die zocht ik op. Ik durf wel te zeggen dat ik daarin baanbreker ben geweest. ”

Waarom wenste destijds bijna niemand aan het nabije verleden te worden herinnerd? “Voor de meeste mensen was WO II geen heroïsche tijd. Op de krant maakte je je er niet populair mee. En in de Trotskistische beweging had je het niet over de ellende van '40-'45. Mijn vriend Maurice Ferares is de enige van zijn hele familie die de oorlog heeft overleefd. Sal Santen idem dito. Ik herinner me niet dat Maurice of Sal óóit gesproken hebben over de Tweede Wereldoorlog of over hun persoonlijke tragedies. Je was met de aanstaande Wereldrevolutie bezig, dan begon je toch niet over die oorlog, die ook een nederlaag was van de internationale arbeidersklasse?”

Beschouwt hij alle energie in het Trotskisme gestoken als verspilling? “Ja. Zowel het fascisme als het communisme heeft alleen maar miljoenen doden en een lawine van ellende opgeleverd. Ik heb persoonlijk de opkomst en ondergang van die twee grootste ideologieën in de wereld meegemaakt. Dat is geen verdienste, dat komt omdat ik toevallig verwekt ben in 1935. Ik heb dat meegemaakt, heb eraan geroken en ik heb de slachtoffers gesproken. Met jankende communisten die door Paul de Groot waren weggezuiverd. Kerels die vier jaar in Sachsenhausen of Dachau hadden gezeten en zeiden: Is het dan allemaal voor niks geweest?”

T wee jaar geleden kreeg hij van VN het aanbod om voor 50 procent te gaan werken. De vrijgekomen tijd gaat voornamelijk zitten in het schrijven van boeken; hij heeft er nu drie onder handen. En Cornelissen heeft een vaste rubriek in Het Parool. Hij maakte de opgang van Vrij Nederland mee, die begon in de jaren zestig, en de terugval in de jaren tachtig. “Dat had te maken met geweldige spanningen, ongelofelijke ruzies waar toen in de kranten over geschreven werd. Anonieme brieven, ontslagen, mensen die elkaar naar het leven stonden. Het is een medisch en psychisch wonder dat ik hier zit, dat ik het overleefd heb. Ondanks die conflicten ben ik blijven functioneren. Een journalist is niets meer en minder dan een loodgieter: je moet gewoon je werk doen. Met de problemen heeft de lezer geen reet te maken.

“Ik heb in diverse fases de suggestie gekregen om "door te stromen'. Vooral in de jaren '60 en '70, toen ik veel meer uitgesproken links was, had ik door mijn inzet bij VN elders absoluut geen kans. Toen mij dat te verstaan werd gegeven dacht ik: Godgloeiendegodverdomme, waar moet ik dàn heen? Chef-sport bij Tubantia?”