Henk Fräser is keihard, om te overleven

ROTTERDAM, 3 NOV. Spijt? Nee, spijt heeft Henk Fräser eigenlijk niet van de elleboogstoot die hij twee weken geleden aan Oliver Camenzind van FC Luzern uitdeelde. De 26-jarige Feyenoorder werd door de UEFA wegens “onsportief gedrag” voor drie wedstrijden geschorst en mag niet meedoen in de return van het Europa-Cupduel tegen de Zwitsers, morgen in Rotterdam. “Zulke dingen gebeuren nu eenmaal”, stelt de dader. “En niemand heeft gezien wat ze bij mij deden.” Hij wil het ook niet vertellen. “Dat heeft geen nut. Het is gebeurd.”

Fräser vindt het wel jammer dat hij zijn ploeg heeft benadeeld. Gelukkig, stelt hij, is John de Wolf, die door de warrige arbiter Loizou als de schuldige werd gezien en de rode kaart kreeg, vrijuit gegaan. “Daar ben ik in ieder geval heel opgelucht over. Als hij zou zijn geschorst had ik me nog rotter gevoeld.” Hij zegt absoluut niet van slag af te zijn door de schorsing. Hij moet er om lachen dat in een interview met een ochtendblad stond vermeld dat hij zijn auto straks misschien wel tegen de vangrail zou rijden. Hij had dat, aldus Fräser, natuurlijk niet serieus bedoeld. “Maar er waren mensen die echt dachten dat ik hulp nodig had.”

Fräser heeft er geen moeite mee om, zoals morgenavond, naar de verrichtingen van zijn eigen ploeg te kijken. “Ik ben alleen zenuwachtiger dan dat ik zelf op het veld sta. Je kan niets doen, hè. Daarom zal ik later nooit trainer worden.” Wel ziet Fräser er tegenop om in het stadion al die mensen te treffen die, zoals hij het uitdrukt, tegen hem zullen aanzeiken. En daar heeft hij even helemaal geen zin in. Daarom zal hij waarschijnlijk niet op de voor hem gereserveerde stoel op de eretribune plaatsnemen, maar ergens in een ander vak, mét een petje op zijn hoofd om de kans op herkenning zo klein mogelijk te maken.

Het is niet bedoeling van Fräser om met de uitspraak dat hij geen spijt van zijn ernstige overtreding heeft laconiek of stoer over te komen. Daar is hij de figuur niet naar. Hij wil alleen niet “schijnheilig” zijn. Hij ziet in elke wedstrijd “kleine dingetjes” om zich heen gebeuren. “Die zijn gewoon onvermijdelijk. Op het veld geldt het recht van de sterkste. Dat is overal zo. Ik zal zelf ook wel eens tegen een beuk aanlopen. Is trouwens al gebeurd.” Hij herinnert zich in 1988 een Europa-Cupwedstrijd met Roda JC in Guimaraes. Fräser was geïmponeerd door de meedogenloze Portugezen. “Toen was ik echt bang en dat ben ik toch niet zo gauw.”

Nu lopen er spelers rond die bang zijn voor de keiharde Fräser. Hij vindt het iets te ver gaan om trots te zijn op zijn reputatie. Maar in zijn manier van spelen ziet hij wel de kans om te overleven in het topvoetbal. “Of je bent een hele goede voetballer óf je zorgt dat ze ontzag voor je krijgen. Ik noem als voorbeeld Rinus Israel. En ik zie dat veel spelers ontzag voor De Wolf hebben en dat is echt niet alleen omdat hij zo goed kan verdedigen, begrijp je.” Hij beschouwt met name Maldini van AC Milan, maar ook PSV'er Adri van Tiggelen als echte klasseverdedigers. “Ikzelf ben geen echte kanjer”, oordeelt Fräser. “Ik ben goed, meer niet. Ik beheers alles redelijk.” Trainer Van Hanegem is zeer gecharmeerd van de voetballer Fräser. Hij ziet voor hem een belangrijke plaats op het middenveld weggelegd, maar het duurde even voordat de soms te bescheiden speler dat zelf ook vond. “Ik vind het nu best wel een leuke positie, ja.”

Fräser kiest zijn woorden af en toe met zorg. Hij wil misverstanden voorkomen. Vooral over het Nederlands elftal is hij voorzichtig in zijn uitspraken. Hij keerde voor de interland tegen Polen terug in de selectie nadat hij eerder had laten weten geen interesse meer in Oranje te hebben. “Maar ik ben makkelijk over te halen.” Fräser heeft er moeite mee zich te moeten aanpassen aan vedetten. Dat zorgde bij het WK van '90 voor problemen. “Daar hadden we van beide kanten schuld aan.” Eén voorval op de training vond Fräser bijzonder vervelend. Hij kreeg na een botsing met Marco van Basten in het openbaar een reprimande van bondscoach Leo Beenhakker, terwijl de daden van de vedette ongestraft bleven.

Bij zijn rentree in de selectie verleden maand constateerde hij een duidelijke verbetering van de sfeer. “Het is minder afstandelijk dan toen in Italië. Ik heb me ook anders opgesteld. Gullit had gelijk: ik was destijds te stil en te bescheiden.” Echt enthousiast en vrolijk is Fräser nog niet over Oranje. Maar: “Ik zou wel jammer vinden als ik bij de volgende interland niet meer word geselecteerd.”

Fräser heeft al lang geconstateerd dat er vele vervelende kanten aan het profvoetbal zitten. “Maar”, realiseert hij zich, “ik mag eigenlijk niets negatiefs over voetbal zeggen. Het is wel m'n brood.” Het is nauwelijks voor te stellen dat deze rustige en weloverwogen pratende Fräser in het veld soms behoorlijk over de schreef gaat. Hij incasseerde sinds 1986 bij respectievelijk FC Utrecht, Roda JC en Feyenoord in de Nederlandse competitie in totaal zo'n dertig gele kaarten, de meeste voor grove overtredingen. Het is, beweert hij, zijn karakter. Hij duldt het niet dat tegenspelers hem en zijn ploeggenoten onheus bejegenen. Fräser voelt zich dan in zijn trots aangetast. “Nee, het heeft er niets mee te maken dat ik donker ben. Dat is toevallig. Als ik blank zou zijn geweest zou ik ook trots zijn.”

Fräser, een zoon van Surinaamse ouders, zegt geen onderscheid te maken tussen zwart en wit. Toch trekt hij bij Feyenoord het meeste op met kleurgenoten. Van Gobbel is zijn vaste kamergenoot en met de van Dordrecht overgekomen spelers zit hij vaak aan tafel. “Die keuze wordt bepaald door de interesses die je hebt. Met name in de muziek. Soms praten we in het Surinaams met elkaar en dat is best wel eens irritant voor de anderen.” Het is echter de spierwitte Arnold Scholten die hij qua houding bij Feyenoord het meest bewondert. “Dat is een hele relaxte gozer. Die trekt zich van niemand wat aan.”

Op die eigenschap is Fräser soms best jaloers. Aan de andere kant is Fräser als hij in het veld verhit raakt ook zo weer bekoeld. Een “sorry” van de speler die de overtreding heeft begaan is meestal voldoende. “Dan kan ik hem al niet meer terugpakken. Als mijn tegenstander rustig is ben ik ook rustig. Speelt hij op de bal dan doe ik dat ook. Ik schop niet iemand om hem op die manier uit te schakelen.”

Zijn directe opponent in de wedstrijd tegen Luzern, “die nummer acht”, vond hij een veel te aardige jongen om hard aan te pakken. En de beruchte tien, Caminzind, had hij, bezweert Fräser, lange tijd niet opgemerkt. “Van Gobbel en Gorré zeiden in de rust dat die jongen mij op het veld steeds liep te zoeken. Daar had ik geen erg in. Ik kan me geen duel met hem herinneren. Misschien ben ik een keer op zijn been gaan staan, ik weet het echt niet. In de tweede helft stak hij een keer zijn middelvinger naar mij op. Ik dacht nog: doet hij dat nou tegen mij?”

Fräser krijgt met zijn opvliegerige karakter steeds meer te maken met tegenstanders die hem uit zijn tent proberen uit te lokken en pogen hem straf te bezorgen. Zo kon de Feyenoorder de rol van de Nederlander René van Eck bij Luzern tijdens het incident met Camenzind niet erg waarderen. “Camenzind wilde meteen weer opstaan, maar Van Eck riep liggen, liggen. Je ziet hem ook tien meter verder weer vallen. Dat vond ik een beetje laag van Van Eck.” Zelf is Fräser niet zo. “Het komt gewoon niet bij me op om te gaan liggen rollen na een overtreding.”

Henk Fräser zegt tot slot dat hij in het vervolg niet meer moet doen wat hij in de wedstrijd tegen FC Luzern deed. Dat met die klap dus. “Het hoort niet. Dat is zo. Ik zal er alle moeite voor doen de problemen in het veld te ontwijken. Misschien lukt me dat de laatste zes jaar van mijn carrière.” De Feyenoorder moet er zelf wel om lachen.