Handhaving culturele voorsprong Amsterdam eist grote investering

De verzamelde Amsterdamse kunstgebouwen eisen de laatste tijd aandacht op. De IJ-oevers moeten nieuwe culturele instellingen adopteren, het Museumplein moet met uitbreidingen aan het Van Goghmuseum en het Stedelijk Museum het kunstplein par excellence worden. Grote accommodaties als Carré en het Concertgebouw zijn toe aan een opknapbeurt of hebben die zojuist ondergaan. En ten slotte zijn er huisvestingsproblemen bij de kleine en middelgrote kunstaccommodaties. Het muziekcentrum de IJsbreker en het centrum voor beeldende kunst De Appel hebben schoon genoeg van de krappe onderkomens waarmee zij zich moeten behelpen. De Amsterdamse filmhuizen klagen al een decennium over de stiefmoederlijke behandeling van de gemeente en de Toneelgroep Amsterdam wil weg uit de Schouwburg om een ruimte te betrekken die beantwoordt aan de eisen van hedendaags toneel. Alle willen delen in de bouwhausse waarmee Amsterdam zich tracht te verzekeren van een plaats in de wereldeconomie. De betrokken kunstinstellingen hebben meer dan twintig plannen, schetsen en ontwerpen klaar liggen ter verwezenlijking. Mocht het zover komen, dan kost dat een lieve duit.

Wat maakt investeren in huidige kunstbestel zo duur? Niet zozeer de variëteit in kunstuitingen, want die was er altijd al, in de woonhuizen, op de straten, in de café's. Maar het feit dat de muzen in al hun specialisaties een omsloten ruimte geheel voor zichzelf opeisen, is de grootste kostenpost. Die eis werd vroeger minder of niet gesteld.

Nog maar honderdvijftig jaar geleden was de openbare ruimte gestoffeerd met opvouwbare muziektenten, circustaferelen, optochten, straattoneel en poppenkast. Artiesten kwamen, vertoonden hun kunsten en trokken verder. Schilderijen werden op markten onder de blote hemel of onder tentzeil verkocht. De gebouwen voor kunst die in het laatste kwart van de vorige eeuw in deze stad werden neergezet, haalden de kunstbeoefening van die tijd voor een belangrijk deel weg uit de openbare ruimte, de parken, de pleinen. De kunstpolitiek waarborgde de openbare functie van de gesloten ruimten: men kon voor weinig geld of voor niets naar binnen. De openbare ruimte werd als het ware gedeeltelijk overdekt.

In onze eeuw is het vanzelfsprekend geworden dat kunst tussen vier muren wordt gepresenteerd en bewaard. In het begin was het in het museum nog bijna zo koud als buiten en in de concertzaal nog net zo rumoerig als op straat, maar gaandeweg kon men schilderijen bekijken zonder te klappertanden en bewaarden de mensen het stilzwijgen tijdens het spelen van een symfonie. In de nieuwe presentatieruimten konden internationale artistieke maatstaven worden gehaald. Mede dankzij dat mooie Concertgebouw konden de Mahlersymfonieën aan het begin van deze eeuw in Amsterdam hun première beleven en werd Mengelberg wereldvermaard als dirigent. Wereldvermaardheid die toen wellicht nog uitzonderlijk was. Nu is zij bijna een voorwaarde om als dirigent bij het Koninklijk Concertgebouworkest te worden aangesteld.

Gaandeweg zijn kunstenaar en publiek gewend - om niet te zeggen verslaafd - geraakt aan een goed verwarmde en luxueus ingerichte ruimte. Wie nu als uitvoerend kunstenaar succes heeft in het Amsterdamse Bos, het Vondelpark, de Kalverstraat of de Dam, staat straks op een podium in een overdekte ruimte. Kunstenaars die de tegengestelde richting kiezen, doen dat voor het speciale effect. De toneelgroep Tender bijvoorbeeld gebruikt de buitenlucht als bijzonder decor; bijzonder omdat de omsloten ruimte van een theater de gewoonte is geworden. En dan is er nog de Uitmarkt, dat ene weekend waarop honderden groepen en groepjes even uit hun schuilplaats komen. Een gebeurtenis van haast symbolische betekenis en tegelijk een uitzondering die de regel bevestigt.

De belangrijkste verklaring om kunst van de straat te houden is het Nederlands klimaat. Daarbij voegen zich de toenemende milieuproblemen. Destijds was voor Arnhem het aanzwellende verkeerslawaai een reden om de volksconcerten te verplaatsen van het park Sonsbeek naar het gebouw van Musis Sacrum. Voor scheppende kunst is inmiddels een Deltaplan ontwikkeld dat grotendeels stoelt op klimaatbeheersing: in archieven en museumdepots worden de Nederlandse cultuurschatten achter sluisdeuren tegen verval beschermd. Maar de inperking van de bewegingsvrijheid heeft ook haar positieve kant.

Betere accommodatie stelt de kunst in staat zich sneller te ontwikkelen, als een tomatenplant die van de koude grond naar een broeikas wordt overgeplaatst. Zo hebben naast muziek toneel, dans en opera zich in de geborgenheid van een gebouw naar een hoger niveau ontwikkeld. Bij dat niveau hoort als vanzelfsprekend manipulatie van licht en lichtbronnen. Want podiumkunst is overgevoelig geworden voor straatgeluid en voor hemellicht, net als filmvertoning.

Ook aan de inrichting van de ruimte worden hogere eisen gesteld. Snel wisselen van decors moet mogelijk zijn, de orkestbak moet kleiner of groter gemaakt kunnen worden, het publiek moet van plaats kunnen wisselen met acteurs en spelers (zoals in het Muziektheater bij Stockhausen in het afgelopen Holland Festival), de akoestiek van de zaal moet kunnen worden aangepast aan de omvang van de bezetting of het specifieke karakter van een muziekstuk (zoals bij het ontwerp voor een nieuwe IJsbreker). De kunstenaar wil sublieme huisvesting waarin alles perfect hangt, staat of klinkt. Het publiek publiek wil dat net zo. Als Beethoven niet mooi genoeg klinkt blijft het liever thuis, bij de cd-speler. De som der eisen dwingt tot de realisatie van dure gebouwen en interieuren.

Vooral na de Tweede Wereldoorlog is het kunstaanbod in Amsterdam toegenomen. Al groeiende is het aanbod onderhevig geraakt aan celdeling. Afzonderlijke specialismen zijn opnieuw gehuisvest in een groter aantal vestigingen. Volgens het Amsterdam Uitburo kent de stad zo'n zeventig reguliere theaters, 39 musea en liefst 176 galeries. Het aantal voorstellingen op het terrein van de podiumkunst is opgelopen van drieduizend in het seizoen 1972/73, via veertienduizend in 1982/83 naar niet minder dan twintigduizend in 1992/93. Alleen al wegens dit enorme aantal voorstellingen moeten bezoekers kieskeurig zijn. De kunstliefhebber is geen alleseter meer, maar wil meer van hetzelfde.

Waar kunstgebouwen van buiten en van binnen veranderen, verandert het publiek mee, en omgekeerd. De liefhebber begeeft zich welbewust naar een bepaalde plaats met een welomschreven kunstreisdoel: Rembrandt, Andriessen, Het Nationale Ballet. De voorkeur van de consument versmalt, zijn geografische herkomst verbreedt. Met de verbetering van de transportmogelijkheden voegen zich meer en meer bezoekers van buiten de stad bij de Amsterdamse kunstliefhebbers: niet alleen uit Haarlem, Hilversum en Utrecht, ook uit Enschede, Groningen en Middelburg. En ook uit het buitenland.

Lang vóórdat Amsterdam in 1987 culturele hoofdstad van Europa werd, maakten Europeanen hun opwachting al in de Amsterdamse musea en theaters. Waar ze niet eens altijd komen voor Hollandse kunst pur sang, maar voor het Concertgebouworkest van de Italiaan Chailly, de Opera van de Libanees/Engelsman Audi en het vierkanten zwart van de Rus Malewitz. Waar ze ook niet altijd komen voor de bijzondere interieurarchitectuur: een van het stadsgewoel afgesloten museumzaal lijkt altijd op een museumzaal en een concertzaal op een concertzaal, of je nu in Amsterdam bent, in Lima of in Wellington. In de jaren tachtig nam het internationaal cultureel toerisme zelfs een massale omvang aan. Zo kwam van de negenhonderdduizend bezoekers van de Van-Goghtentoonstelling in 1990 slechts vijf procent uit Amsterdam, vijfentwintig procent uit de rest van de Nederland en liefst zeventig procent uit het buitenland. Honderd jaar geleden bouwden Amsterdammers het Concertgebouw in de eerste plaats voor Amsterdammers. Nu moet gebouwd worden om aansluiting te houden op de kunstenaars en het kunstpubliek van de wereld.

Dankzij de inspanning van een klein aantal bevlogen burgers aan het eind van de vorige eeuw ontstond er in Amsterdam zoiets als een kunstbestel. Dat bleek later het fundament te zijn voor een culturele hoofdstad. Amsterdam biedt nu onderdak en warmte aan een compleet en gevarieerd aanbod dat te zien en te horen is in een evenzo uitgebreid en geschakeerd arrangement van gebouwen. Voornamelijk op kosten van de gemeente en het rijk is een internationaal gerespecteerde ontmoetingsplaats gegroeid voor professionele kunstenaars en een kunstzinnig onderlegd publiek.

Maar het gevaar van de remmende voorsprong dreigt als niet voortdurend wordt geïnnoveerd en geïnvesteerd. Er ligt een blauwdruk voor de voortzetting van de artistieke voorhoedepositie die Amsterdam nog heeft. De vraag is of de gemeenteraad en de rijksoverheid geld willen uittrekken om die plannen te realiseren. Men is geneigd snel naar de kosten te kijken, en die zijn inderdaad hoog. Maar eerst behoort de vraag gesteld te worden of Amsterdam zijn culturele voorhoede na een eeuw nog belangrijk vindt. Zo ja, dan is het wat gemakkelijker een financieringsplan te maken. Als men naar een goedkope oplossing zoekt is die er natuurlijk ook: zet de kunst weer op straat.