Grondwet staat afschaffing dienstplicht toe

Tot de eeuwwisseling werd de dienstplicht gezien als een verwerpelijk, maar onvermijdelijk verschijnsel. Een vrijwilligersleger was niet in het belang van de betrekkelijk kleine welvarende groep die voor de financiering ervan zou moeten opdraaien. Deze groep had tot 1898 de mogelijkheid een "remplaçant' in te huren als een zoon des huizes niet gedisponeerd was zelf de dienstplicht te vervullen. Aldus was men goedkoper uit. Pas aan het einde van de vorige eeuw verandert dit als de samenleving gevoelig begint te worden voor sociale ongelijkheid en de dienstplicht bovendien de invloed ondergaat van het sterker wordende nationalisme. Na de Eerste Wereldoorlog komt een deels socialistisch en deels ethisch geïnspireerd pacifisme sterk op. De ethische inspiratie leidt in 1922 tot de wettelijke erkenning van gewetensbezwaren. De opvatting van dienstplicht als een "gewetenskwestie' in plaats van, zoals in de negentiende eeuw, een belasting die in principe niet verschilt van die welke men voor politie en brandweer betaalt, had een belangrijk voordeel. Zowel politieke bezwaren als aan fundamentele rechtsgedachten te ontlenen bezwaren werden buiten de deur gehouden omdat ze geen gewetenskwesties zouden betreffen.

In de jaren zeventig begint de Koude Oorlog al wat te luwen en wordt het probleem van de eenzijdige verdeling van de dienstplicht klemmender, mede in verband met het sterk gestegen opleidingsniveau van de dienstplichtigen en de door militair-technologische vooruitgang gestegen opleidingskosten. Een meerderheid van de staatscommissie-Mommersteeg blijkt in 1977 voorstander van een vrijwilligersleger. Ze wees het idee niettemin af in verband met de meerkosten, hoewel die slechts op maximaal zeven procent werden geraamd. Daarbij was bovendien nog geen rekening gehouden met een geschatte groei van het nationaal inkomen met 0,15 procent, waardoor de invoering van een vrijwilligersleger een grotendeels zichzelf betalende operatie had kunnen zijn. Ook aan het rapport van de commissie-Mommersteeg heeft de commissie-Meijer in het rapport "Naar een dienstplicht nieuwe stijl' geen aandacht geschonken. De commissie-Mommersteeg had aanbevolen de zaak opnieuw te bezien bij een verdere verbetering van de veiligheidssituatie. Verwijzing naar dat advies had mogelijk het standpunt, dat thans van een verbetering eigenlijk nog geen sprake is, nog minder plausibel gemaakt.

Zonder dienstplichtigen zou het leger zich sociaal isoleren en dat zou ook politiek gevaarlijk kunnen zijn. Er bestaat geen empirische ondersteuning voor dit argument, dat in feite een zwakke variant is van de nationalistische gedachte, dat defensie een zaak is van het hele volk. Dit argument wordt thans, opvallend genoeg, niet meer gehoord. De reden hiervan kan niet zijn, wat recentelijk ook door onderzoek bevestigd is, dat er van een sociaal isolement van onze beroepsmilitairen geen sprake is (zie C.J. Janssen, 'Beroepsleger: in of naast de samenleving', Nijmegen 1991). Dit onderzoek betreft immers een momentopname van een leger met dienstplichtigen, terwijl het argument zich richt op de situatie van een leger zonder dienstplichtigen. Het idee dat dienstplicht integratie in de samenleving bevordert, speelt echter nog wel een rol in een door CDA-leider Brinkman aangezwengelde discussie over de sociale dienstplicht. Dit idee is onlangs door premier Lubbers - gelukkig - afgewezen, maar men weet wie zijn gedoodverfde opvolger is.

De emancipatie-retoriek verhult een perverse redenering. Het probleem van het discriminatoire karakter van militaire dwangarbeid wordt gebruikt als argument om nieuwe vormen van dwangarbeid in te voeren. De dienstbaarheidscultus is een dekmantel voor een voorkeur voor uitbuiting. Want daarom draait de kwestie uiteindelijk. Als we maar bereid zijn de werkelijke prijs te betalen, kan in de behoefte aan defensie (zieken-, bejaarden- en milieuzorg) door vrijwilligers best worden voldaan. Weliswaar is, als iedereen aan dwangarbeid wordt onderworpen, het onrecht iets gelijker verdeeld, maar ook dan is er nog steeds geen sprake van een gelijkheid. Het afgedwongen offer is immers voor de één heel zwaar, voor de ander vrijwel afwezig, doordat de militaire dienst als een leerzame periode wordt ervaren. De voorkeur voor dwangarbeid is niet alleen onrechtvaardig, ook economisch gezien is het een weinig rationele voorkeur. Dat geldt voor zowel de sociale als de militaire dienstplicht die hier ter discussie staat.

Het Centraal Planbureau (CPB), dat voor de commissie-Meijer de arbeidsmarkt heeft onderzocht, hanteert in zijn rapport drie scenario's van de economische ontwikkeling. Slechts volgens het meest pessimistische scenario zouden er vier jaar na afschaffing van de dienstplicht vierduizend personen méér werkloos zijn, volgens de andere twee scenario's zouden er twaalfduizend werklozen minder zijn. De extra werkloosheid zou het gevolg zijn van ƒ 35.000 meerkosten per vrijwilliger. Op de langere termijn treden er volgens geen van de scenario's negatieve effecten op. Het CPB heeft echter geen rekening gehouden met specifieke besparingseffecten. De te recruteren vrijwilligers zullen, als laaggeschoolden, geen sociale uitkering meer behoeven en dat scheelt aanzienlijk in de financiering.

Een principieel probleem van het arbeidsmarktonderzoek is dat het gedaan is in een tijd waarin er nog een dienstplichtleger is. Een vrijwilligersleger heeft mogelijk een positiever beeld in de samenleving, maar dat beeld staat degenen die thans zijn ondervraagd natuurlijk nog niet voor ogen. Daarbij komt dat na afschaffing niet meer jaarlijks via de dienstplicht zo'n veertigduizend mannen in de relevante leeftijdsgroep aan de arbeidsmarkt worden onttrokken. Van het voor de werknemers ongunstig effect daarvan op de concurrentie, geven de ondervraagden zich nu nog geen rekenschap. Het rapport is bovendien mede gebaseerd op een groot aantal weinig zekere vermoedens. Zo wordt aangenomen, dat niet meer dan eenvierde van de functies door vrouwen zal kunnen worden vervuld en maximaal één op de tien in de functie geïnteres- seerden daadwerkelijk wordt aangesteld. Dit laatste is vooral gebaseerd op gegevens van de huidige landmacht als geheel (de overige krijgsmachtdelen zijn voor de kwestie van de afschaffing nauwelijks relevant), terwijl het knelpunt van het vrijwilligersleger alleen bij de laaggeschoolden zit en wel voor functies waarvoor thans zelden wordt geworven. Verder wordt weliswaar vermoed dat zich onder Nederlands-Turkse en -Marokkaanse jongeren een aanzienlijk wervingspotentieel bevindt, maar dit is niet nader onderzocht.

Zo wordt er vrij gunstig gereageerd op het idee van contracten met een duur van meer dan twee jaar. Maar ook het effect daarvan is niet nader onderzocht, evenmin als dat van een voor laaggeschoolden aantrekkelijke combinatie van werk met opleiding voor een later civiel beroep. Gunstige doorstromingseffecten op de arbeidsmarkt als gevolg van werkervaring en opleiding zijn evenmin bezien. Weer andere indicaties blijven onderbelicht, zoals het interessante gegeven dat het percentage geïnteresseerden bijna verdubbelt als ook nog eens ƒ 500,- per maand wordt geboden bij wijze van onregelmatigheidstoeslag. De onderzoekers komen tot de conclusie dat bij de door hen gehanteerde gunstigste veronderstellingen alleen in de categorie lager opgeleiden een klein tekort zal bestaan, terwijl in de andere categorieën een groot overschot wordt verwacht. Bij minder gunstige veronderstellingen loopt het tekort in de categorie lager opgeleiden snel op. Die conclusie is echter alleen van belang als men genoegen neemt met de grote onzekerheid van sommige veronderstellingen, verwaarlozing van deelmarkten, de onbekendheid met de bereidheid tot neerwaartse mobiliteit in de opleidingscategorieën en een nogal beperkte variatie in de maximale beloning en secundaire arbeidsvoorwaarden, waarvan in het onderzoek is uitgegaan. Neemt men daar geen genoegen mee, dan is men niet veel wijzer dan tevoren, zij het dat de elasticiteit van het arbeidsaanbod juist reden tot optimisme geeft.

Een extra belemmering tot afschaffing van de dienstplicht werpt de commissie-Meijer tenslotte op in verband met de grondwet. Art. 98, eerste lid, luidt: “Tot bescherming van de belangen van de staat is er een krijgsmacht, bestaande uit vrijwillig dienenden en uit dienstplichtigen.” De commissie beroept zich met Kortmann en Akkermans op de tekst van de bepaling: “er is een krijgsmacht en daarin zijn dienstplichtigen”. Daarnaast wordt een nogal krampachtig beroep gedaan op flankerende bepalingen. Dat overtuigt echter niet, omdat al deze bepalingen hun volledige zin behouden als art. 98 de dienstplicht alleen maar wilde toestaan. De bepaling in kwestie stamt uit 1887 en had tot strekking de dienstplicht, die al lang bestond, eindelijk ook een grondwettelijke basis te verschaffen. Geenszins was het echter de bedoeling om de wetgever te verplichten het leger mede uit dienstplichtigen te recruteren als daar technisch de noodzaak niet toe bestond. De commissie suggereert dit door te verwijzen naar het amendement-Seret, waarbij het regeringsvoorstel verworpen werd alleen dienstplichtigen te recruteren als de hoeveelheid vrijwillig dienenden onvoldoende zou zijn. Het amendement keerde zich echter alleen tegen het gevaar dat de staat verplicht zou zijn buitensporig veel geld uit te geven om voldoende vrijwilligers te kunnen recruteren.

Dit blijkt ook uit de door de commissie niet vermelde gang van zaken bij het amendement-Schepel, dat beoogde gebiedend voor te schrijven wat Seret nu juist wilde voorkomen. “Het was te voorzien” schrijft Buys (De Grondwet III, Arnhem 1888, p. 345-46). “dat aan dit amendement bij de Regeering en bij de Kamer geen gunstig onthaal ten deel zoude vallen, niet omdat men de regeling op zich zelve afkeurde [mijn cursivering, N.R.], maar omdat zij onder de tegenwoordige omstandigheden niet zou kunnen worden verwezenlijkt zonder van de natie buitengewoon zware geldelijke offers te vergen”.

De dienstplicht kan derhalve worden afgeschaft, zonder dat er iets in de grondwet hoeft te worden gewijzigd, een opvatting waarvan ook de regering is uitgegaan bij de op dit punt overigens niet succesvolle grondwetswijzigingen van 1983 en 1987.

Afschaffing van de dienstplicht zal niet alleen een einde maken aan het grote onrecht van de dienstplicht alsmede aan de mallotige vertoningen bij de mis- en erkenning van gewetensbezwaarden, maar waarschijnlijk zal het bovendien nog economisch voordelig zijn. Aan het eerste heeft de Hollandse koopman zich blijkens de historie nooit veel gelegen laten liggen, maar het tweede zal hem des te meer aanspreken.