De kwak krijgt nieuwe kans in Biesbosch; Rijkswaterstaat geeft Vogelreservaat terug aan de natuur

Met het plan "Doorstroming', een serie waterloopkundige ingrepen om de Dortse Biesbosch royaler van water te voorzien, hoopt Verkeer en Waterstaat de natuurlijke dynamiek van dit natuurgebied herstellen.

DORDRECHT, 3 NOV. Ze zijn er allemaal in de Dordtse Biesbosch: de aalscholvers, kuifeenden, smienten en brilduikers. De lepelaars zijn een maand geleden naar het zuiden getrokken, maar zullen volgend jaar ongetwijfeld weer neerstrijken in dit natuurgebied vol geulen en kreken.

De Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Vogels, kortweg Vogelbescherming, hoopt bovendien vurig op een terugkeer van de kwak: een zeldzame reigerachtige, die hier vroeger in kleine aantallen broedde, maar sinds jaren niet meer wordt waargenomen. Een "revival' van de soort lijkt echter in het verschiet te liggen nu het plan Doorstroming is uitgevoerd: een serie waterloopkundige ingrepen om de Dordtse Biesbosch royaler van rivierwater te voorzien.

Op de zuidpunt van het Eiland van Dordrecht, dichtbij het Hollands Diep, beheert de vereniging 480 hectare vogelreservaat. Dat is ongeveer de helft van de Dordtse Biesbosch, een door de Nieuwe Merwede afgescheiden deel van de totale Biesbosch, een voormalig zoetwatergetijdendelta, die de status van nationaal park moet krijgen.

Eind 1970 beleefde dit gebied een ernstige "milieuschok', toen door afsluiting van het Haringvliet - een onderdeel van de Deltawerken - het tijverschil van twee meter terugviel naar enkele decimeters. Vorig jaar maakte Rijkswaterstaat plannen bekend om de spuisluizen in het Haringvliet vaker open te zetten dan nu het geval is, waardoor het zeewater onder normale omstandigheden vrijwel ongehinderd kan binnnenstromen. Hierdoor zou het tijverschil in de Biesbosch weer tot ruim een meter oplopen met als gevolg een zeker herstel van de oude, natuurlijke dynamiek.

Maar zover is het voorlopig nog niet. Vooral de agrarische wereld op Voorne-Putten en Goeree-Overflakkee verzet zich tegen de plannen uit angst voor verzilting van haar landerijen. Ook zijn er bezwaren uit een oogpunt van drinkwatervoorziening. Wel is Rijkswaterstaat nu op beperkte schaal in de Dordtse Biesbosch tegemoet gekomen aan de verlangens van de natuurbeweging door het plan Doorstroming uit te voeren. Dat begrip houdt onder andere in dat een dam langs de Nieuwe Merwede, de Dam van Engeland, op twee plaatsen is doorgestoken, zodat het rivierwater bij opkomend tij onbelemmerd naar binnen kan.

N. de Haan, medewerker van de Vogelbescherming: “Rijkswaterstaat had ruim een miljoen gulden aan natuurontwikkeling te besteden en in nauw overleg met onze vereniging is het geld nu gebruikt om dit gebied als het ware aan de natuur terug te geven. Na een eenmalige menselijke ingreep moet de natuur op eigen kracht verder en daar verwachten we louter voordelen van.”

Een excursie door het reservaat onder leiding van beheerder G. van der Linden maakt duidelijk wat er in de loop der jaren is veranderd dan wel verslechterd. Wilgen worden al lang niet meer gekapt, zodat de bomen tot grote hoogte zijn doorgeschoten. Eens florerende rietvelden zijn overwoekerd door brandnetel en wilgeroosje, terwijl de bodem van de kreken is bedekt met een laag vervuild slib dat in de loop der jaren door de Rijn werd aangevoerd. Het zijn stuk voor stuk gevolgen van de afsluiting in 1970, toen bovendien het Rijnslib smeriger was dan ooit en zich in de delta begon op te hopen. Vooral sinds 1986 is de rivier echter opgeknapt, zodat het Rijnwater als vervuilende factor thans minder wordt gevreesd.

De gaten die Rijkswaterstaat in de dam langs de Nieuwe Merwede liet graven, zijn beide vijftig meter breed en voorzien van drempels die ter plaatse tot slik- en zandvorming moeten leiden. Als het zover is, verwacht De Haan hier diverse eendesoorten en steltlopers, waaronder grutto's en watersnippen, die er voedsel in de vorm van wormen en slakken komen zoeken. Aan de andere kant, in het Zuid Maartensgat, is juist een dam gelegd om te voorkomen dat het water weer snel verdwijnt. Ook zijn er biezen aangeplant, een vrijwel verdwenen gewas, waaraan dit natuurgebied zijn naam te danken heeft.

Het hart van de Dordtse Biesbosch zal de komende jaren dank zij een betere instroming aanmerkelijk natter worden en dat zal tot gevolg hebben dat hoge wilgen sneuvelen. De Haan voorspelt dat op die open plekken een boomsoort als de els en op den duur ook de eik spontaan tot wasdom zal komen, zodat hier zoiets als een riviervloedbos verrijst. Ook de bever, die in het Brabantse deel van de Biesbosch is uitgezet, kan volgens De Haan bijdragen aan een landschappelijke variatie, zodra zo'n dier de Nieuwe Merwede overzwemt om zich in het Dordtse deel te vestigen. En waar nu de brandnetel welig op de rietvelden tiert, verwacht hij weer dotters en kattestaart.

Maar als rechtgeaarde vogelman hunkert De Haan vooral naar een terugkeer van de kwak: “Die hoorde hier vanouds thuis en zal te zijner hopelijk de kroon op het werk zetten.” Beheerder Van der Linden sluit niet uit dat hij enkele jaren geleden in zijn reservaat nog een kwak heeft gezien: “Maar het ging allemaal zo snel en het beeld was zo onduidelijk, dat het ook een roerdomp geweest kan zijn.”