Critici openen aanval op Kamers van Koophandel

De Kamers van Koophandel staan bloot aan toenemende kritiek. Mondige ondernemers uiten twijfel aan hun functioneren en minister Andriessen wil dat de Kamers hun taken "herijken'. De aard van het beest maakt het onmogelijk het iedereen naar de zin te maken, zeggen de Kamers.

Slaapkamers van Koophandel en Industrie worden ze allang niet meer genoemd. Ook de aantijging dat de 36 over Nederland verspreide Kamers relikwieën zijn uit het tijdperk van de trekschuit gaat niet meer op. Dat maken hun modernistische kantoren vol computers en vlotgekapte managers wel duidelijk. Toch is de laatste tijd gepeperde kritiek hun deel. De Kamers van Koophandel zouden te bureaucratisch zijn, te weinig slagvaardig, niet efficiënt genoeg. Ook zouden ze een gebrekkige "voeling' hebben met de bedrijven die ze zeggen te vertegenwoordigen. Sterker nog: Kamers zouden die bedrijven concurrentie aan doen met eigen commerciële activiteiten.

Vorig jaar bezorgden de Kamers de critici nieuwe munitie toen hun overambitieuze N.V. Databank-project in Woerden drastisch moest worden gesaneerd, wat een strop van dertig miljoen gulden opleverde. Dat deze ondernemersmiskleun uitgerekend op het conto kwam van de Kamers, die worden geacht het vaderlandse ondernemerschap te vervolmaken, was extra zuur.

Daar kwam afgelopen april nog een brief van minister Andriessen van Economische Zaken overheen, waarin hij "Kamerland' waarschuwde voor zwaar weer. De bewindsman wees op de rappe internationalisering en schaalvergroting in het bedrijfsleven, op de vervaging van nationale grenzen, op het daardoor belangrijker worden van regio's, op bestuurlijke reorganisaties, en op de toenemende mondigheid van de ondernemer. Daarom moeten de Kamers van Koophandel van de minister nagaan of hun produkten en diensten nog wel passen bij de eisen en behoeften van de eigentijdse zakenman. Hun reacties, voorstellen of herijkingen worden uiterlijk 1 juli 1993 op het bureau van de minister verwacht.

Dat waren behoorlijke schokgolven rond een bedaard en bejaard instituut dat het bloed niet bepaald sneller door de aderen doet stromen. De Kamers van Koophandel werden ons in 1803 opgedrongen door bezetter Napoleon en daarna uitgebouwd door de dynamische "koopman-koning' Willem I. Meer dan een eeuw bleven zij het domein van rijke kooplieden en pas in 1922 gaf een nieuwe wet het midden- en kleinbedrijf toegang tot de Kamers. Sinds 1951 hebben ook werknemersorganisaties zitting in de maximaal uit zestig leden bestaande ledenvergaderingen die worden geleid door een voorzitter. De dagelijkse leiding berust bij een machtige algemeen secretaris die drie kerntaken heeft: de uitvoering van enkele wetten, zoals de verplichte inschrijving van bedrijven in handelsregisters en het uitreiken van bepaalde vergunningen (wat tevens de voornaamste inkomensbron van de Kamers is); advisering van regionale overheden over de wensen van het bedrijfsleven; en voorlichting/steunverlening aan de bedrijven in hun regio's.

Algemeen secretaris C. de Bouter van de Kamer van Koophandel en Industrie in Den Haag toont zich niet zichtbaar geschokt door kritiek op Kamerland en blijkt evenmin verrast door de brief van minister Andriessen. Hij zegt: “De schaalvergroting in het economische en bestuurlijke leven, waarop de minister ons nu wijst, zagen wij veel eerder aankomen en wij spelen daar al op in.” Het zou daarom, volgens De Bouter, goed zijn het aantal Kamers terug te brengen van 36 nu tot ongeveer twintig in de niet te verre toekomst “maar het kunnen er ook zeventien of 22 worden.” Hij verwijst naar Duitsland waar in totaal tachtig Kamers veel grotere regio's bestrijken en ook meer invloed kunnen uitoefenen.

De Bouters standpunt wordt in grote lijn gedeeld door zijn collega's in de grootste steden, maar onder kleinere broeders in de provincie zijn de opinies over samenvoeging verdeeld. “Mensen zien hun eigen posities gevaar lopen en dan gaan emotionele elementen een rol spelen”, weet de Haagse algemeen secretaris. Toch hebben de Kamers van Zutphen en Harderwijk, van Groningen en Veendam, en die van Maastricht en Heerlen al visie getoond en besloten tot fusie. De Bouter vertrouwt erop dat andere Kamers op grond van zakelijke discussie zullen volgen. “Dat is beter dan een decreet van de minister.”

Pag.18: Wrijving tussen uitvoeren wet en behartigen bedrijfsbelang; "De afstand tussen Kamers en bedrijven is punt van aandacht'

Algemeen secretaris Peter Haane van de Maastrichtse Kamer van Koophandel kan zich kritiek op Kamerland "heel goed' voorstellen. Hij vertelt in zijn fraaie pand lang de boorden van de Maas: “Stel, je bent in dit tijdperk van de massacommunicatie ondernemer in Groningen en je wilt ook een vestiging in Maastricht beginnen. Dan moet je je hier eerst fysiek in het handelsregister komen laten inschrijven. Dat was in 1922 te verkopen maar nu niet meer. Zoiets moet natuurlijk ook in Groningen kunnen of, beter nog, bij welke Kamer je maar wenst.”

Daar komt bij dat de inschrijvingsprocedures vaak per Kamer verschillen. Haane: “Natuurlijk is kritiek daarop terecht. Ik zie meer in een Rabobank-model met redelijk zelfstandige filialen die de klanten in Groningen, Amsterdam of Maastricht gelijk behandelen en gelijke produkten aanbieden.”

Algemeen secretaris Haane leidde vorig jaar als jeugdig coryfee in Kamerland de commissie strategische beleidsvorming die het gespierde "Vierkante rapport met ronde antwoorden' schreef dat intussen door de Kamers is aanvaard. Het pleit voor uniforme inschrijvingsprocedures, gezamenlijke informatievoorziening en automatisering. Peter Haane licht toe: “Onze handelsregisters schieten tekort in volledigheid, betrouwbaarheid en uniformiteit omdat ze niet onder één centraal verantwoordelijke instantie vallen. Daardoor gaan ze rammelen en kunnen bedrijven zich afvragen wat de toegevoegde waarde is.”

Om het verkokerde Kamerland te verleiden tot de eenheid en de kwaliteit waar de markt om vraagt, doet Haane een drieledige suggestie: “De wettelijke taken moeten voortaan volstrekt uniform worden uitgevoerd; wat afgeleide taken als handelsvoorlichting, exportbevordering of begeleiding van aspirantondernemers betreft, moeten alle Kamers een zelfde minimumpakket bieden waar ze naar eigen goeddunken allerhande extra's aan kunnen toevoegen; en wat de behartiging van bedrijfsbelangen bij overheden aangaat - zoals vestigingsbeleid, bestemmingsplannen of milieuzaken - die blijven typisch gemeente- en provincie-gebonden zodat de Kamers daar hun autonomie kunnen blijven uitleven.”

Haane gelooft overigens dat een deel van de kritiek op het instituut Kamer van Koophandel voortspruit uit de aard van het beest en derhalve lastig is te pareren. “Enerzijds zijn wij belast met wettelijke taken, zoals het handelsregister en afgifte van vergunningen. Dat vereist een ambtelijke instelling, kost de bedrijven geld en wordt ons dus niet in dank afgenomen. Anderzijds moeten wij hun belangen behartigen en dat vraagt een andere instelling. Soms moet ik tegen een ondernemer zeggen: ik behartig weliswaar je belang maar die vergunning krijg je niet. Dat is voor hem moeilijk te rijmen. Voor de vernieuwing van een winkelcentrum is vaak een pijnlijke sanering nodig en ook dat is aan betreffende ondernemers moeilijk uit te leggen.”

Een andere heikele vraag in de opgelaaide discussie over het functioneren van de Kamers luidt: Zijn het nog wel dè organisaties vàn en vóór het bedrijfsleven die ze zeggen te zijn? “De afstand tussen de Kamers en de bedrijven is een punt van aandacht”, noteerde minister Andriessen van Economische Zaken tamelijk cryptisch in zijn recente "Kamerbrief'. Een hoge ambtenaar van zijn ministerie vult aan: “De invloed van de bedrijven op de Kamers van Koophandel lijkt me marginaal. Hun ledenvergaderingen komen maar een paar keer per jaar bijeen. De ondernemers voelen zich niet verantwoordelijk voor wat de Kamers doen.” Snerend vraagt hij zich af: “Hoe toegankelijk worden Kamers voor ondernemers als zij zich fortificeren in mooie gebouwen van aluminium en glas?”

Algemeen secretaris C. de Bouter van de Haagse Kamer zegt diplomatiek: “Het gaat in dit opzicht lang niet slecht, al kan het altijd beter.” Hij roept daarom bedrijven en belangenorganisaties op vooral representatieve afgevaardigden naar de ledenvergaderingen van de Kamers te sturen en als het even kan geen gepensioneerden met veel vrije tijd maar afnemende contacten. Verder hoopt De Bouter de contacten met zijn "basis' te intensiveren tijdens speciale bijeenkomsten op verschillende plaatsen in het Haagse. Zijn collega Haane uit Maastricht voegt daaraan toe: “De Kamer moet van de wet àlle bedrijven vertegenwoordigen en geen deelbelangen, zoals VNO, NCW of KNOV. Vanuit die optiek kunnen wij het alle deelbelangen niet op elk moment naar de zin maken. Ook dat speelt mee in de commentaren op het functioneren van de Kamers.”

Dat de beweerde communicatiekloof tussen bedrijfsleven en Kamers van Koophandel voor relativering vatbaar is, valt volgens Kamer-functionarissen af te leiden uit de sterke groei van het aantal vragen en verzoeken vanuit de bedrijven aan die zelfde Kamers. “In 1990 kregen wij gemiddeld 400 vragen per week binnen, dit jaar zitten we op 600”, vertelt adjunct-secretaris A. Kropff van de Utrechtse Kamer van Koophandel. “Het gaat om arbeids- en juridische zaken, financiering, bedrijfsvoering, subsidies, verhuur van bedrijfsruimte, merken, adressen, handelsbemiddeling, je kunt het zo gek nog niet bedenken.” Hij noemt het voorbeeld van een ondernemer, die een onderdeel zoekt voor zijn tienjarige suikerspinmachine, waarvan de toenmalige importeur niet meer onder ons is. Wie importeert dat onderdeel nu? Ook kan de politie langskomen om te vragen naar de herkomst van een mes. Of een restauranthouder die een bepaalde kleur servetten zoekt. Kropff: “Wij duiken dan in onze gecomputeriseerde databestanden met een scoringskans van 90 à 95 procent.”

Een sterk in populariteit gestegen dienstverlening blijkt verder de uitdraai van reeksen adressen van potentiële klanten, desgewenst op lijsten, zelfklevende etiketten, dan wel floppy disks. Ondernemers kunnen zo tegen kostprijs hun "mailings' afhandelen. Tot de meer gespecialiseerde hulpmiddelen van Kamers behoort het Euro Info Centrum, waar een schat aan informatie is te vinden over de EG, haar organen, Europese wetgeving, subsidies, statistieken en markten. Verder is er het ingenieuze Holland Trade System waarbij de "exportprofielen' van lokale bedrijven in de computer worden ingevoerd. Hetzelfde gebeurt met buitenlandse handelsaanvragen, waarna de computer vaststelt welke Nederlandse exporteurs aan die buitenlandse vraag kunnen voldoen. Kropff: “Ook organiseren de Kamers vele voorlichtingsbijeenkomsten en cursussen om de kennis van ondernemers bij te spijkeren en aspirant-ondernemers op gang te helpen. Een forse meerderheid van beginners komt tegenwoordig eerst naar ons.”

Toch blijkt zelfs deze dienstverlening vatbaar voor kritiek. Met welk recht maken Kamers van Koophandel openingen naar de markt? Hoe kunnen zij, die leven van de ondernemerscenten, die zelfde ondernemers beconcurreren? “Vanzelfsprekend kunnen wij de hand die ons voedt niet bijten”, stelt Peter Haane met klem. “Maar als zich bepaalde ontwikkelingen voordoen en de markt pakt dat niet op, dan mag je als Kamer pionier zijn.” Hij voegt daar evenwel aan toe: “Als iets goed gaat draaien, moet je je toch steeds weer afvragen hoever je kunt gaan. De Maastrichtse Kamer zette destijds bij voorbeeld een leergang bedrijfskunde op die na twee jaar liep als een trein. Dan ga je ondernemingen als de LOI concurrentie aandoen. Wij hebben die activiteit nu verzelfstandigd in een stichting die helemaal los staat van de Kamer en de eigen broek kan ophouden. Zo hoort het.”

Hoewel de 36 Kamers van Koophandel samengaan in de Vereniging van Kamers van Koophandel (VKK) te Woerden, blijven zij hun wettelijk erkende autonomie koesteren. Dat bevalt minister Andriessen van Economische Zaken matig. Dus schrijft hij in zijn "Kamerbrief' van afgelopen april: “De VVK speelt nu niet de rol die zij zou kunnen spelen, namelijk die van krachtig aanspreekpunt binnen Kamerland. Dat zou voordelig zijn voor de buitenwereld en ook voor de Kamers. Een vloot is krachtiger dan 36 afzonderlijke schepen.”

Voorzitter A.J. Kranendonk van de VVK houdt afstand. “Natuurlijk zijn er door de automatisering en andere ontwikkelingen netwerken tussen de Kamers ontstaan”, vertelt hij, “maar zij hechten aan hun wettelijk gefundeerde onafhankelijkheid. Dat is ook nodig om regionaal te kunnen functioneren. Onze vereniging blijft daarmee een platform voor overleg en een uitvoerder van besluiten die de Kamers van Koophandel gezamenlijk nemen. Wij wensen geen piramidale structuur.” Wel vindt Kranendonk dat de VKK, als vertegenwoordiger van de Kamers, van zich kan laten horen als het gaat om zaken die op nationaal niveau spelen. Zaken die alle Kamers, als organisaties van en voor het bedrijfsleven, raken.

Een Haagse ambtenaar bekijkt het autonomiestreven van de Kamers vanuit een cynischer optiek: “Secretarissen van heel wat Kamers hebben eigen rijkjes opgebouwd die ze nu met hand en tand verdedigen.”

Heeft Kamerland na incasso van alle kritiek zelf ook nog wat op de lever? Reken maar! Peter Haane: “Wij worden hier de laatste jaren door ministeries als EZ en Vrom overspoeld met structuurschema's, beleidsnota's, extra nota's, nota's plus, met of zonder knooppunten. Maar hier aan de basis moet ik gewoon vaststellen dat al die wensenscenario's vastlopen op twee zaken: ze zijn niet goed doordacht, en ze missen de begeleidende pecunia om ze te kunnen realiseren.”

De Kamers in de vier grootste steden laten zich in hun recente pamflet "Op papier zijn we er klaar voor' evenmin onbetuigd. “Politici en ambtenaren pretenderen in hun nota's en schema's een voorwaardescheppend beleid uit te zetten”, aldus de "grote vier'. “Dat betekent zoveel als de feiten vóór te willen zijn. Helaas is de feitelijke ervaring dat door trage besluitvorming en verlate uitvoering van ondersteunende maatregelen ontwikkelingen vaak meer worden geremd dan bespoedigd.”