Blazen in de sintels

Deze week speelt zich op het nationale politieke toneel een klucht af die de toeschouwers wel met gêne moet vervullen.

Een zware delegatie uit het kabinet probeert de grijze sintels van de overlegeconomie nieuw vuur in te blazen. Samen met de sociale partners zoeken de meest betrokken bewindslieden beschutting tegen het plotseling guurder geworden internationale economische klimaat. De ministers proberen de top van de vakbeweging zover te krijgen dat de komende tijd bij de onderhandelingen over nog openstaande looncontracten matiging wordt betracht. Die top heeft echter steeds minder in de vakbondsmelk te brokken, omdat de aangesloten bonden in toenemende mate hun eigen gang gaan. CAO-onderhandelingen zijn gedecentraliseerd, waardoor de geloofsbrieven van FNV-voorzitter Stekelenburg en zijn makkers steeds lager noteren. De voorzitter is zich pijnlijk van zijn onmacht bewust. Daarom stelt hij als onmogelijke voorwaarde dat werkgevers garanderen dat terughoudendheid bij loonsverbeteringen extra banen oplevert. Aan die eis kunnen particuliere ondernemers in onze economische orde evenwel niet voldoen. Stekelenburg wast vervolgens zijn handen in onschuld. Over matiging valt best met hem te praten, maar ja, de onwil van de werkgevers vormt een onneembare hindernis om tot overeenstemming te komen.

Het is een nationaal gesprek om des keizers baard. Ook al zouden afspraken over loonmatiging tot stand komen, dan nog stellen die weinig voor. De oproep om in 1993 de lonen te matigen betreft namelijk slechts de helft van alle loontrekkenden. Vaak wordt vergeten dat slechts twee van elke drie werknemers onder een collectieve arbeidsovereenkomst vallen. Voor een kwart van deze CAO-werknemers is het contract bovendien al rond; de bij inmiddels afgesloten contracten bedongen loonstijging bedraagt gemiddeld bijna vijf procent. Het kabinet hoopt dat de nog af te sluiten contracten uitkomen op 2,5 procent. Dat is ruim voldoende voor koopkrachtbehoud, omdat de inflatie volgend jaar een stuk lager uitvalt. De onderhandelaars van de bonden, en in elk geval hun achterban, zullen hier evenwel weinig voor voelen. Niet uitsluitend, omdat een kwart van de CAO-collega's volgend jaar bijna vijf procent bruto pakt, maar ook omdat de inkomensontwikkeling van de overige economisch actieve Nederlanders, zoals zelfstandigen en het hogere kader in de bedrijven, buiten discussie blijft.

Het kabinet heeft geen budgettair wisselgeld over om de vakorganisaties en hun leden te paaien met een verlaging van de loonbelasting, zodat de achterban ook bij een beperkte verhoging van de bruto lonen maandelijks netto meer mee naar huis neemt. Integendeel, ook bij de nagestreefde loonmatiging lopen de overheidsfinanciën volgend jaar uit het gareel van het regeerakkoord. Het financieringstekort zou - onder optimistische veronderstellingen - uitkomen op 4,2 procent van het nationaal inkomen. Volgens het regeerakkoord mag dat hooguit 3,75 procent van het nationaal inkomen zijn. Het belasting- en premiepeil schiet 0,3 procentpunt uit boven het afgesproken lastenplafond van 53,6 procent van het nationaal inkomen. Om beide grootheden op hun normwaarde te krijgen, moet de overheid 0,75 procentpunt extra op de collectieve uitgaven bezuinigen. Dat komt overeen met circa vier miljard gulden.

Deze door het Centraal Planbureau geproduceerde cijfers illustreren afdoende dat het kabinet zijn tijd niet moet verdoen door vruchteloos overleg te voeren met sociale partners. De regeringsploeg kan beter snel beslissen over aanpassingen van de begroting tot een bedrag van ten minste vier miljard gulden. (In mijn vorige column sprak ik ten onrechte de verwachting uit dat met de helft van dit bedrag zou kunnen worden volstaan.) Het verzet tegen deze koers is groot. Ministers die vroeger economie studeerden, hebben inmiddels hun door Keynesiaanse inzichten geïnspireerde leerboeken uit de kast gepakt. Bezuinigen leiden tot "vraaguitval', omdat overheid en burgers hierdoor minder te besteden krijgen. Ziet het bedrijfsleven de afzet dalen, dan worden meer mensen op straat gezet. Zo zouden bezuinigingen de aarzelende economie verder het moeras in helpen. Daarom berust het kabinet. De argumentatie tegen verdergaande ombuigingen is echter deels onjuist, deels niet actueel.

Voor zover bezuinigingen een lager belastingpeil mogelijk maken, krijgen belastingbetalers meer te besteden. Dit compenseert de vraaguitval ten gevolge van bezuinigingen. Een tekortreductie haalt inderdaad koopkracht uit de economie. Het tekort moet echter desondanks om drie redenen omlaag. Alleen een lager tekort maakt een einde aan de voortgaande stijging van de overheidsschuld, die thans in Nederland veel omvangrijker is dan het Verdrag van Maastricht toelaatbaar noemt. Ten tweede doet een extra tekortreductie met zeg 2,5 miljard gulden de rentelasten vanaf 1994 meteen met 200 miljoen per jaar dalen. Dit vergroot op zijn beurt de flexibiliteit van de begroting en vergemakkelijkt het voeren van een stimulerend beleid in de toekomst, wanneer het echt nodig mocht zijn.

Bezuinigingen van vier miljard gulden zijn niet onmogelijk, wanneer de politieke wil daartoe aanwezig is. Het kabinet is echter uitbezuinigd. Daarom voert het een sociaal-economische regendans uit en wordt de werknemers verzocht hun looneisen te matigen. Deze maatregel werkt niet en hij zal bovendien de overheidsfinanciën niet op orde brengen. De bewindslieden die deze week zo nijver in de sintels blazen, krijgen per slot van rekening slechts as in hun gezicht.