Belgische bekroning NWT 1992/6. 80 blz. 13,25 ...

Belgische bekroning NWT 1992/6. 80 blz. 13,25 gulden

Huisorganen The Borzoi Reader. Knopf (Van Ditmar). Het Seizoen. Meulenhoff. Adviesprijs 1,50 gulden

Toversigaar van Mahler Optima 35. Contact, 107 blz. 12,50 gulden

Belgische bekroning

Behalve dat Bart Eeckhout twintig onweerlegbare redenen geeft waarom de Amerikaanse sopraan Jessye Norman ons zo uitzonderlijk veel genot schenkt, ("Hoeveel stemmen gaan er eigenlijk in één keel? The Norman Conquest, die moet profetisch naar haar genoemd zijn.'), is het nieuwe nummer van het Nieuw Wereldtijdschrift gewijd aan de jaarlijkse NCR-prijs, de Vlaamse tegenhanger van de AKO-literatuuprijs. Op 19 december zal hij voor de vijfde keer worden uitgereikt. Het NWT, waarin géén advertentie van NCR te vinden is, noemt de NCR-prijs "een barometer van de Vlaamse literatuur'. Hij levert 400.000 frank op (ruim ƒ20.000) en wordt toegekend aan een beginnend proza-auteur die niet meer dan drie boeken gepubliceerd heeft. Hoofdredacteur Herman de Coninck vindt de NCR-prijs zinniger dan de vijf keer zo grote van de AKO, omdat adviseur Hugo Verdaasdonk telkens weer "onmogelijke jury's' samenstelt van "onverenigbare mensen', waardoor altijd, behalve de laatste keer, gegarandeerd het meest onverwachte boek bekroond wordt. De NCR-prijs heeft, zegt De Coninck, de Vlamingen "literatuur-optimisme' bijgebracht. Als dat zo is, dan werd dat wonder verricht door achtereenvolgens Gilbert Grauws, Gérard Adam, Eric de Kuyper en Anne François. Zij ontvingen in de voorgaande jaren de prijs van de kasregisterfirma. Onder de gepasseerde genomineerden zijn voor Nederlanders wat bekender namen: Kristien Hemmerechts, Rita Demeester, Gie Bogaers bij voorbeeld. Het literatuur-optimisme zal er wel vooral in zitten dat het gat in de Vlaamse literatuur, ontstaan na het vroegtijdige inzinken van schrijvers als Ward Ruyslinck, Hubert Lampo, Jos Vandeloo en Hugo Raes, sinds enige tijd met enig élan wordt opgevuld door jonge Vlamingen en Vlamingsen. De Coninck over de jong-oude auteurs in de jaren zeventig en tachtig: “Voor een schrijvend natietje als Vlaanderen komt het hard aan als de helft van zijn oudere schrijvers - op dat moment toch nog allemaal van fatsoenlijke middelbare leeftijd - gezamenlijk besluit irrelevant te worden”.

De te lang uitgevallen short-list van De Coninck, geselecteerd uit de zo royaal met zijn zevenenveertigen ingezonden boeken, overlapt in drie gevallen zowel die van Jos Borré als die van de jury zelf: Patricia de Martelaere (Littekens), Koen Peeters (Bezoek onze kelders), en Eriek Verpale (Alles in het klein). De jury nomineerde verder Boris Todoroff voor zijn Isis en Frans Denissen voor De thuisreis.

Marc Reynebeau overziet in zijn bijdrage de situatie in het Vlaamse proza van de paar laatste jaren. Jonge debutanten te over, zo concludeert hij, maar het stelt alles bij elkaar niet zo veel voor. Zijn reaktie is net zo teleurgesteld als die van de Nederlandse kritiek op Max.36, de bundel "jong' literair proza die Jessica Durlacher onlangs samenstelde en als andere, uit het buitenland, op soortgelijke bloemlezingen van opkomend talent: “conventioneel realisme, hooguit met een scheut ironie erdoor gemengd, bedoeld als parabels over het dagelijkse leven, voorgehouden ter heling van de gekwetste ziel”. Het neo-naturalisme is inderdaad te vinden bij de NCR-nominaties. Maar óók postmoderne pret, new journalism, en zelfs, zij het niet zo opdringerig als in lang verstreken jaren, engagement.

Het NWT publiceert in ditzelfde nummer zes teksten van niet genomineerde Vlaamse jonge schrijvers, Bart Plouvier, Luuk Gruwez, Koenraad Goudeseune, Rita Demeester, Philip Vandenberghe en August Thiry. Demeester over engagement in haar beschouwing over seks na je veertigste: “En dus gingen we, na het vergaderen over Zuid-Afrika en Vietnam en de Griekse dictators die er toen nog waren, over tot de probleemhaarden dichter bij huis. Want tussen al dat wereldwerk door hadden we toch nog de tijd om verliefd te worden op elkaars mannen en vrouwen, al dan niet vaste vrienden en vriendinnen, en we namen onze verliefdheden net zo ernstig als de doden in My Lai.”

NWT 1992/6. 80 blz. 13,25 gulden

Huisorganen

Een literair tijdschrift is soms, traditioneel, het kweekvijvertje van een uitgeverij, waarbij groeiend talent omwille van het evenwicht gezelschap krijgt van gevestigde, liefst grote namen, van wie voorpublikaties als appetizers worden opgenomen.

De Engelse uitgeberij Cape heeft een fraai ogend huisorgaan dat niets anders dan fragmenten van eigen auteurs bevat, Cape (Nilsson & Lamm). Knopf uit Amerika heeft de mooie, gratis Borzoi Reader (imp. Van Ditmar), en in Nederland verkoopt Meulenhoff via de boekhandel drie keer per jaar Het Seizoen, een "bulletin over boeken en schrijvers' voor anderhalve gulden dat de boekverkoper meestal maar gratis meegeeft. Van Het Seizoen worden zo'n 25.000 exemplaren gemaakt. Het oudste literaire tijdschrijft van Nederland, De Gids, ook van Meulenhoff, heeft een oplage van 3.500.

De nieuwe Borzoi Reader - de Russische windhond is het logo van Knopf - bevat fragmenten uit 23 Knopf-boeken die bij publikatie zonder uitzondering op aandacht van de media mogen rekenen. Een greep: English Music van Peter Ackroyd, The Secret History van Donna Tartt, The English Patient van Ondaatje, een biografie van Stephen Crane, The New Yorker Book of Dog Cartoons, de nieuwe, negenendertigste Updike - lekker voorproeven dus.

De aanpak van Meulenhoff is heel anders. Zeer korte fragmenten, veel wervende teksten. Dat de uitgeverij in de commerciële werking van haar blad gelooft mag blijken uit de lezersaanbieding: wie zich voor 20 gulden op een verder ongenoemd aantal nummers abonneert ontvangt als premie een van vijf nieuwe Meulenhofftitels.

The Borzoi Reader. Knopf (Van Ditmar). Het Seizoen. Meulenhoff. Adviesprijs 1,50 gulden

Toversigaar van Mahler

Contacts kwartaalblad Optima opent met een prozaverhaal van redacteur Michaël Zeeman, bekend als dichter en chef Kunst van de Volkskrant. Zijn verhaal, "De verduistering', begint enigszins verwarrend, daarna lijken er autobiografische trekjes - niet meer dan dat - op te duiken. De hoofdpersoon schrijft literatuurrecensies voor "een krant', onlangs nog van een verhalenbundel die door "die jonge schrijver met zo'n Friese naam' (Optima-redacteur Atte Jongstra wellicht?): “Die man leefde in een schimmenrijk van pastiches, beneveld door het verleden van stijlen als een verdwaalde wandelaar door de dampen in een zwavelmijn. Misschien was dat meer dan een farce”. Dat klinkt alvast loyaal. Zeemans intrige zwabbert een beetje, zijn zwartgallige, paternalistische hoofdpersoon De Wolf (zonder voornaam) valt niet altijd meteen te onderscheiden van zijn vrienden Pierre en Adriaan, en zijn missie - het aan een ex terugvragen van liefdesbrieven van Pierre - krijgt nergens iets dwingends.

Wel geserreerd en doelgericht is het verhaal van Maarten Asscher, in het dagelijkse leven uitgever bij Meulenhoff, over een toversigaar van Gustav Mahler.

Redacteur Henk Pröpper kwam af met een vrolijk maar ook treurig verhaal dat verteld wordt door een geestelijk gestoorde man: “Ik heb een andere vriend die is verliefd op bomen vooral als het winter is. Dus moet ik altijd met hem naar buiten de kou in om hem voor te stellen aan bepaalde bomen bij wie hij verlegen is. (-) Mijn vrouw heeft een brede glimlach, een zeer brede glimlach, bijna zo breed als haar reet, ruim twee keer mijn dirigeerstokje in zijn volle lengte.”

Een derde redacteur, Atte Jongstra, leverde een ellenlange tekst "Over het bouwen van een tuinhuisje', verteld door een postbode, die een ware opgave om te lezen is, ook al staat er hier en daar een grapje in. “Ik heb wel eens gedacht dat onder al die paars gepermanente vrouwen zij de Enige moest zijn. De Ware. Dit moet in de vurige brief hebben gestaan die ik haar ooit schreef en die ik toen om verschillende redenen onmiddellijk heb verscheurd. Ik heb het er moeilijk mee gehad. Met dat verscheuren bedoel ik. Een postbode hoort immers geen brieven te verscheuren.”

Optima 35. Contact, 107 blz. 12,50 gulden

    • Margot Engelen