Amerikaans kiesstelsel maakt uitslag moeilijk voorspelbaar

De kandidaten voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen hebben hun campagne erop zitten. Beurtelings putten Bill Clinton, George Bush en Ross Perot moed of geraakten teleurgesteld op grond van nieuwe opiniepeilingen. Die geven echter maar een beperkt inzicht in de werkelijkheid. Onder het kiesstelsel blijft de uiteindelijke uitslag nog onvoorspelbaarder dan in andere landen. Dit hangt vooral samen met het zogeheten beginsel van "the winner takes all' in de staten. Een kleine voorsprong op een rivaal kan daardoor vergaande gevolgen krijgen.

In de periode voorafgaand aan de Amerikaanse presidentsverkiezingen zorgt zelfs de geringste verandering in de opiniepeilingen al voor grote opwinding. Zowel de kiezers als de politici snakken naar enig houvast omtrent de kansen van de kandidaten en zo wordt aan de peilingen een onevenredig grote betekenis toegekend. In werkelijkheid zijn metingen van de nationale populariteit van de kandidaten echter maar van betrekkelijk ondergeschikt belang. Waar alles in het ingewikkelde Amerikaanse kiesstelsel van afhangt, is de regionale verdeling van de populariteit in het land.

De president wordt namelijk niet rechtstreeks gekozen door het electoraat maar door een college van kiesmannen. Deze instelling dateert nog uit de begintijd van de Verenigde Staten in de 18e eeuw. De toenmalige elite vertrouwde het - toch al beperkte - electoraat maar half en creëerde daarom voor de zekerheid een bufferlaag tussen president en kiezers. In totaal bestaat het college uit 538 kiesmannen: het aantal Senaatszetels (100) opgeteld bij de 435 zetels van het Huis van Afgevaardigden en drie kiesmannen voor Washington DC, dat als federale hoofdstad een speciale status geniet. Uitdrukkelijk is voorgeschreven dat de kiesmannen zelf geen senator of afgevaardigde mogen zijn en evenmin mogen ze een baan bekleden bij de federale overheid.

Bij de presidentsverkiezingen in november, die elke vier jaar worden gehouden, brengen de kiezers hun stem uit op een kiesman, die zich al van tevoren duidelijk heeft gelieerd aan een van de kandidaten. Na de verkiezing wordt dan de balans opgemaakt, welke kandidaat de meeste kiesmannen achter zich heeft gekregen. De winnaar strijkt vervolgens - en hierin schuilt het onberekenbare van de presidentsverkiezingen - de hele staat op. Ook de kiesmannen die eigenlijk zijn tegenstander steunden worden aan het totaal van de winnaar toegevoegd. Als de Democraat Bill Clinton vandaag bijvoorbeeld 26 kiesmannen zou winnen in Californië, president Bush 22 en Ross Perot 6, dan gaan toch alle 54 kiesmannen van die staat naar Clinton. Dit is het "winner takes all'-principe. Op grond van dit beginsel wordt het voorspellen van de uitslag in alle staten samen, vooral wanneer de kandidaten elkaar op de hielen zitten, bijna even moeilijk als het juist invullen van de voetbaltoto.

Dankzij deze opzet van het kiesstelsel hebben zich door de jaren heen opvallende verschillen voorgedaan tussen de aantallen nationaal behaalde stemmen en kiesmannen. Vier jaar geleden bijvoorbeeld kreeg Bush 48,8 miljoen stemmen en zijn Democratische rivaal Michael Dukakis 41,8 miljoen, op het eerste gezicht zeker geen verpletterende nederlaag voor de Democraat. In het kiescollege lagen de verhoudingen echter geheel anders. Daar wist Bush zich na de verkiezingen verzekerd van de steun van maar liefst 426 kiesmannen, terwijl Dukakis op 111 bleef steken (er was ook nog één onafhankelijke kiesman).

Tijdens de vermaarde race in 1960 tussen John Kennedy en Richard Nixon waren de verschillen tussen beide rivalen in stemmen verwaarloosbaar: 34.221.344 voor Kennedy tegen 34.106.671 voor Nixon. In het kiescollege was Kennedy"s overwicht met 303 tegen 219 echter aanzienlijk.

Onder het Amerikaanse kiesstelsel is het mogelijk dat een kandidaat die over het hele land bezien slechts een minderheid van de stemmen heeft behaald door een gunstige verdeling daarvan toch aan een meerderheid in het kiescollege geraakt. Deze situatie heeft zich in de vorige eeuw twee keer voorgedaan, in 1876 en 1888.

Een andere mogelijkheid is dat geen van de kandidaten een meerderheid in het college van kiesmannen weet te verkrijgen. Een kandidaat heeft thans ten minste 270 kiesmannen achter zich nodig. In 1824 deed zich zo'n impasse voor, toen vier kandidaten elkaar van de overwinning afhielden. In een dergelijk geval ligt de uiteindelijke beslissing bij het zittende Huis van Afgevaardigden, dat een van de vijf kandidaten moet kiezen die het hoogst scoorden bij de verkiezingen. De grondwet bepaalt dat de leden van het Huis daarbij niet individueel mogen stemmen maar per staat. Ook is vastgesteld dat in zo'n geval na de verkiezing van de president de man die de meeste stemmen kreeg vice-president wordt.

Bovenstaand scenario is in de praktijk een grote zeldzaamheid, maar het heeft dit jaar meer betekenis dan gewoonlijk door de deelname van de onafhankelijke kandidaat Ross Perot. Vooral afgelopen zomer zag het er naar uit dat deze wel een of meer staten zou kunnen winnen, waardoor het voor Bush en Clinton moeilijker zou worden een absolute meerderheid te halen in het kiescollege en de beslissing bij het Huis van Afgevaardigden terecht zou kunnen komen. De grillige miljardair zei in juli, toen hij zijn race tijdelijk staakte, dat hij met zijn opgeven juist deze onbevredigende mogelijkheid wilde uitsluiten. Twee maanden later, toen hij de draad van zijn race weer oppikte, gold dit argument plotseling kennelijk niet meer. Overigens heeft Perot intussen zoveel van zijn geloofwaardigheid verloren dat de kans dat hij ook maar één staat in de wacht sleept miniem is. Wel kan hij door zijn kandidatuur in sommige staten net de balans doen doorslaan naar de kant van Bush danwel Clinton doordat hij stemmen van de een of de ander afsnoept.

Na de verkiezing komen de kiesmannen in december in elke staat bijeen, waarna de verkiezingsuitslag van hun staat wordt opgestuurd naar de voorzitter van de Senaat in Washington. Die leest op 6 januari in een plechtige ceremonie de dan overigens al lang bekende resultaten voor. Twee weken later volgt de inhuldiging van de nieuwe president.

Een ander eigenaardig element van het Amerikaanse systeem is de plicht van de kiezer zich te laten registreren. Dit punt heeft al dikwijls ter discussie gestaan omdat het door veel critici wordt gezien als een onnodig obstakel in het democratische proces. De registratieplicht alvorens een stem te kunnen uitbrengen werkt een lage opkomst in de hand, soms zelfs minder dan 50 procent van de kiezers. Hoewel Ronald Reagan in 1984 een forse overwinning behaalde op Walter Mondale, kreeg hij toch slechts de steun van minder dan een derde van de kiesgerechtigde Amerikanen.

Vooral arme, minder geschoolde Amerikanen nemen dikwijls niet de moeite zich te laten registreren. Onderzoek heeft uitgewezen dat van de volwassenen met alleen lagere school slechts zo'n 40 procent hun stem uitbrengen. Van de beter opgeleiden met een inkomen van boven de 50.000 dollar gaat daarentegen ruim driekwart naar de stembus.

Vooral Republikeinse bestuurders hebben soms de neiging arme kiezers in het geheel niet aan te moedigen zich te laten registreren, omdat ze er van uitgaan dat die toch niet op hen stemmen. Van Democratische zijde is hier traditioneel, ook om redenen van eigenbelang, meer aandacht aan besteed. Zeer succesvolle inschrijvingscampagnes werden in de jaren tachtig onder de voorheen vaak passieve zwarte bevolking gevoerd door de zwarte dominee Jesse Jackson.

Dit jaar zag het er aanvankelijk naar uit dat er zich aanzienlijk meer mensen zouden laten inschrijven dan bij de verkiezingen van 1988. Uiteindelijk viel het resultaat echter tegen: het aantal ingeschreven kiezers steeg met ongeveer 1 procent tot ruim 136 miljoen. Dat aantal komt neer op zo'n 72 procent van de potentiële kiezers. De ervaring wijst echter uit dat lang niet alle geregistreerden ook daadwerkelijk hun stem uitbrengen. Het Comité voor de Bestudering van het Amerikaanse Electoraat in Washington zei vorige week dat het al blij zou zijn met een totale opkomst van 55 procent van de kiezers.

Ross Perot

Economie. Legt sterk de nadruk op het beperken van het begrotingstekort. Wil door forse bezuinigingen en belastingverhogingen dit tekort voor 1998 wegwerken. Vooral rijken moeten meer belasting betalen. Hoopt bevolking hierdoor ook meer tot sparen te brengen. Bepleit verhoging van de accijnzen op benzine en tabak, die naar verhouding vooral armere mensen hard zal treffen. Wil ook gepensioneerden niet ontzien bij bezuinigingen. Wil de onderhandelingen over handelsvraagstukken niet langer aan politici overlaten maar aan mensen van buiten die sector.Onderwijs. Wil meer geld uittrekken voor onderzoek.

Gezondheidszorg. Bezuinigen binnen het medische apparaat moeten kosten drukken en ook moet meer nadruk liggen op preventieve gezondheidszorg. Wil alle Amerikanen laten verzekeren. Abortus-besluit is aan vrouw. Milieu. Bepleit economische stimulans voor bedrijven die milieuvriendelijke maatregelen nemen.

Defensie. Wil 40 miljard dollar meer op defensie bezuinigen dan Bush. Verwacht grotere bijdrage van Europa en Azië aan veiligheid dan tot dusverre. Beide gebieden zouden samen 100 miljard dollar meer moeten uitgeven aan defensie.

Bill Clinton

Economie. Wil begrotingstekort voor 1996 met ruim de helft verminderen tot 141 miljard dollar. Wil slechts belastingvoordelen geven aan nieuwe ondernemingen. Is in beginsel voor vrijhandel maar wenst aanpassingen van vrijhandelspact met Mexico en Canada. Wil de belastingen verhogen voor inkomens boven 200.000 dollar, terwijl middenklasse minder wordt belast. Bepleit actiever optreden van de overheid. Wil werklozen bijscholen en meer in infrastructuur investeren.

Onderwijs. Staat slechts subsidies aan het openbare onderwijs voor. Is ook voor nationale normen voor leerlingen.

Gezondheidszorg. Wil werkgevers en werknemers laten kiezen of ze zich bij staat of particulier willen laten verzekeren. Wil kosten gezondheidszorg beperken door elk jaar plafond vast te stellen. Vrouw beslist over abortus.

Milieu. Wil belastingvoordeel voor bedrijven die recycled materiaal gebruiken.

Defensie. Wil 60 miljard dollar meer bezuinigen dan Bush en meer troepen terugtrekken uit Europa.

Buitenland. Wil wat meer uittrekken voor ex-Sovjet-Unie dan Bush, wil China houden aan meer respect voor mensenrechten. Neigt in Midden-Oosten iets meer naar Israel dan Bush.

George Bush

Economie. Wil begrotingstekort tot 130 miljard dollar in 1996 terugbrengen. Bepleit een lagere belasting op de winst op investeringen voor de langere termijn. Blijft voorstander van vrijhandel en de vrije markt. Streeft naar belastingverlaging.

Onderwijs. Wil nationale normen voor alle leerlingen en stelt voor bescheiden subsidie te geven aan ouders, die zelf mogen bepalen naar welke school hun kinderen gaan.

Gezondheidszorg. Wil een belastingverlaging voor armere mensen om hen in staat te stellen een gezondheidsverzekering te betalen. Wil een plafond aan schadevergoeding bij medische fouten. Abortus moet geheel verboden blijven.

Milieu. Wil problemen zoveel mogelijk door de markt laten oplossen. Onderstreept kosten maatregelen voor bedrijfsleven.

Defensie. Wil de defensiebegroting in de periode tot 1997 met 25 procent verlagen. Het aantal manschappen onder de wapenen moet verminderen tot een kern van 12 actieve divisies. Wil 150.000 man in Europa houden. Buitenland. Wil meer hulp geven aan de voormalige Sovjet-Unie, wil handelsprivileges voor China handhaven en wil de vredesconferentie voor het Midden-Oosten verder stimuleren.