VS en EG pogen in Chicago strijdbijl te begraven; Landbouwconflict begon met een ordinaire ruzie over kippen; Gatt-akkoord zou inflatievrije stimulans voor economie betekenen

BRUSSEL, 2 NOV. Wat in de jaren vijftig begon als een ordinaire ruzie over kippen, daaraan proberen EG-commissaris Ray MacSharry en de Amerikaanse minister Ed Madigan vandaag in Chicago een einde te maken: het eeuwige gevecht tussen Europa en Amerika over landbouw.

Als MacSharry en Madigan slagen in hun opdracht betekent dat niet alleen "gewapende vrede' tussen de twee machtigste handelsblokken op deze aarde, maar het biedt wellicht ook meer ruimte op de wereldmarkt voor boeren uit landen als Australië, Canada en Argentinië, die zonder miljardensubsidies moeten concurreren. En mogelijk, maar dat is wel heel optimistisch gedacht, zal zo'n bilateraal handelsakkoord een stabiliserende werking hebben op de internationale prijzen waardoor potentiële producenten in de Derde Wereld een kans krijgen de eigen bevolking van voedsel te voorzien.

In ieder geval zal, zo hebben diplomaten aan weerszijden van de Atlantische Oceaan in het vooruitzicht gesteld, een Amerikaans-Europese doorbraak op het gebied van de landbouw de weg openen voor een wereldwijd handelsakkoord in het kader van de GATT (Algemene Overeenkomst inzake tarieven en handel). Zo'n GATT-akkoord - dat ook onderwerpen omvat als dienstenverkeer, bescherming van intellectuele eigendom en vermindering van invoertarieven - zou een geweldige, inflatievrije stimulans betekenen voor de huidige kwakkelende economiën.

Diplomaten gaan er vanuit dat bij een gunstige uitkomst in Chicago een algemeen GATT-akkkord nog voor het eind van het jaar zou kunnen worden getekend. Dat zou overigens niets te vroeg zijn, want de onderhandelaars zijn eigenlijk al twee jaar te laat. De zogenoemde Uruguay-ronde ging in 1986 in Punta del Este van start en zou in totaal "slechts' vier jaar duren.

Dat die streeftdatum schaamteloos is overschreden heeft alles te maken met het diepgewortelde conflict tussen de EG en de Verenigde Staten over hun landbouw en dan vooral over de export van hun agrarische produkten. De "chicken war' was nog een incident. Die speelde in een tijd dat de EEG nog volop bezig was zich te organiseren. Het gemeenschappelijke landbouwbeleid met zijn vanuit Brussel gedicteerde prijzen (lees subsidies) stond toen nog in de steigers.

Maar in de jaren tachtig werd de relatie tussen Brussel en Washington echt grimmig en dienden zich om de haverklap conflicten aan die gepaard gingen met het deponeren van officiële klachten bij de GATT, met het tegen elkaar opbieden met exportsubdsies en (het dreigen met) importbeperkingen. Er zijn "handelsoorlogen' geweest over onder andere granen, mais, "hormonenvlees' en soja.

Men hoeft niet ver te zoeken naar het waarom van die vertroebelde relatie. De VS (momenteel 2,4 miljoen landbouwbedrijven met een gemiddelde grootte van 175 hectare) zijn van oudsher de grootse aanbieder van graan op de wereldmarkt. De EG (8,9 miljoen bedrijven met een gemiddelde omvang van nog geen 13 hectare) was tot in de jaren zeventig netto-importeur. Maar daarna stuwde het protectionistische landbouwbeleid de produktie zo ver op, dat de EG vanaf het begin van de jaren tachtig haar overschotten met behulp van exportsubsidies moest gaan slijten op de wereldmarkt.

De afgelopen jaren schommelde de graanproduktie in de twaalf lidstaten tussen de 160 en 180 miljoen ton. Daarvan werd afgelopen jaar bijna 30 miljoen ton geëxporteerd. Frankrijk, de belangrijkste voedselproducent in Europa en de grootste concurrent voor de Amerikanen op de wereldgraanmarkt, neemt daarvan het belangrijkste deel voor zijn rekening. Dat verklaart waarom Parijs zich de afgelopen weken, al dan niet bij monde van president Jacques Delors van de Europese Commissie, zo afwerend heeft getoond over het doen van concessies aan de Amerikanen.

Het protectionistische karakter van het Europese landbouwbeleid wordt onder andere treffend geïllusteerd door de gebeurtenissen op de markt van soja en andere oliehoudende zaden. Oliezaden werden in het begin van de jaren zestig nog slechts op bescheiden schaal in Europa verbouwd. Reden waarom Brussel tijdens de zogenoemde Dillon-ronde van de GATT - die was gewijd aan de gevolgen van de Europese eenwording voor de internationale handel - de concessie deed dat deze zaden voortaan zonder importheffingen mochten worden ingevoerd in de EG. Vooral de soja-boeren in de Amerikaanse Corn Belt hebben geprofiteerd van die vrije exportmogelijkheid.

Ook de afgelopen jaren is Brussel niet teruggekomen op die concessie. Maar wel is de EG miljarden guldens (dit jaar bijna 1.500 gulden per hectare) gaan uitgeven aan het subsidiëren van de produktie van oliezaden in de gemeenschap zelf. Vooral in Frankrijk en ook in Italië is de produktie daardoor in de jaren tachtig omhooggeschoten. Afgelopen jaar oogstte de EG voor in totaal 13 miljoen ton aan koolzaad, zonnebloemen en soja - tot woede van de VS. Weliswaar importeert de EG nog steeds oliezaden, maar de Amerikanen hebben hun soja-aandeel daarin fors zien terugvallen.

Tot twee keer toe hebben de VS hierover een klacht ingediend bij de GATT en beide keren werden ze in het gelijk gesteld. Toch weigert Brussel zijn steunbeleid op te geven. De EG wil alleen met de Amerikanen onderhandelen over het geven van compensatie. Dat heeft Washington er al toe gebracht om met vergelding te dreigen ter waarde van 1 miljard dollar aan Europese uitvoer naar de VS.

Formeel staat het soja-dossier los van de GATT-onderhandelingen. Dat neemt niet weg dat soja de afgelopen weken hoog op de agenda heeft gestaan tijdens de onderhandelingen tussen de Amerikaanse en Europese delegaties. Ook Madigan en MacSharry zullen het er vandaag in Chicago ongetwijfeld nog over hebben. Wat betreft de eigenlijke GATT-onderwerpen, gaat het in grote lijnen om drie thema's die zijn geïnventariseerd door directeur-generaal Arthur Dunkel van de GATT.

Die onderwerpen zijn: het verlagen van de interne steun aan de landbouw, het verschaffen van markttoegang (oplopend tot 5 procent) en het verminderen van de gesubsidieerde export (mogelijk met 24 procent - zoals is voorgesteld in het alomvattende door directeur-generaal Dunkel opgestelde concept-GATT-akkoord - maar er is ook al gesproken over een iets lager percentage). Die richtlijn voor de uitvoerreductie zou dan in de plaats moeten komen van de huidige GATT-formulering, die stelt dat exportsubsidies in de landbouw zijn toegestaan “zolang het exporterende land een billijk aandeel op de wereldmarkt heeft”. Juist over de vraag wat onder "billijk' moet worden verstaan, liggen de EG en de VS nu al jarenlang overhoop.

Dat er over deze punten wordt onderhandeld is, met alle meningsverschillen die de afgelopen tijd zijn geventileerd, op zichzelf al een hele vooruitgang. Toen de Uruguay-ronde zes jaar geleden begon, stelden de VS de absolute eis dat in het jaar 2000 alle subsidies in de landbouw verdwenen zouden zijn. Bij de tussentijdse evaluatie van de handelsronde, in 1988 in Montreal, gaf de EG duidelijk te verstaan dat ze daarover niet wilde praten. Subsidies dienen niet alleen om de kleinschalige landbouw in Europa overeind te houden, maar ook om het platteland leefbaar te houden, vinden de EG-onderhandelaars nog steeds.

Toch heeft zich aan de Europese zijde een ingrijpende verandering voorgedaan, die het mogelijk maakt om nu wel een succesvolle afronding van de Uruguay-ronde tot stand te brengen. Die verandering betreft het plan-MacSharry waarover de EG-ministers van landbouw het afgelopen voorjaar eens werden en die een fundamentele hervorming van het gemeenschappelijke landbouwbeleid inhoudt. Die hervorming heeft de EG rijp gemaakt om echt te gaan onderhandelen met de grote concurrent Amerika.

Tot dusver was het Europese landbouwbeleid gebaseerd op het ondersteunen van de prijsvorming, in combinatie met exportsubsidies en invoerheffingen. Met het plan-MacSharry is een geheel nieuw element ingevoerd, namelijk directe inkomenssteun aan de boeren. Het Europese landbouwbeleid is daardoor meer gaan lijken op het Amerikaanse systeem.

De hervorming van het EG-landbouwbeleid treft vooral de graanboeren. De graanprijs gaat de komende jaren met ongeveer een derde naar beneden, de boeren moeten 15 procent van hun grond braak laten liggen, en ter compensatie voor dit alles krijgen de akkerbouwers inkomenstoeslagen op hun bankrekening overgeschreven. De Amerikanen lijken over die inkomenssteun geen problemen meer te maken. De opzet van het nieuwe beleid is dat het Europese graan in prijs concurrend wordt op de wereldmarkt en de overschotten verminderen.

Volgens sommige berekeningen, onder andere van het Franse instituut Insee, komt de hervorming op het gebied van de granen een heel eind tegemoet aan de criteria die GATT-baas Dunkel heeft geformuleerd en die de VS ondersteunen. Door de braaklegging zal de produktie verminderen en eveneens de export. Mogelijk is die te verwachten exportreductie voldoende om tot een vergelijk met de Amerikanen te komen. De Franse regering heeft in ieder geval al laten weten dat een akkoord met de Amerikanen niet verder mag gaan dan de hervorming van het EG-landbouwbeleid waarover in mei overeenstemming werd bereikt. Parijs heeft al moeite genoeg om die maatregelen geaccepteerd te krijgen op het Franse platteland.

Paradoxaal genoeg zal een eventueel akkoord met de VS, afhankelijk van de precieze uitwerking ervan, de grootste gevolgen hebben voor de zuivelsector die voor Nederland zo belangrijke is. Bij de landbouwhervorming van mei bleven de melkveehouderij en de sterk gesubsidieerde export van boter, kaas en condens vrijwel geheel buiten schot, tot opluchting van minister Bukman. Maar als nu inderdaad een reductie van het exportvolume met zo'n 24 procent wordt vastgelegd, zal de zuivel alsnog een behoorlijke stap terug moeten doen. Het Landbouw Economisch Instituut rekent alvast op een inkomensdaling van 25 procent.

Minister Bukman is daar niet blij mee. Maar toch kan hij niet veel anders doen dan instemmen met een eventeel handelsakkoord met de Amerikanen. Immers, zo zei hij onlangs in Luxemburg, “de Nederlandse regering” hecht aan een snelle totstandkoming van een GATT-akkoord. Een minister van landbouw moet zich daar bij neerleggen.