TERUG NAAR HET MENSELIJK ASPECT

Judo kan zo simpel zijn. Geen filosofische benadering met Japanse schriftuur. Gewoon een kwestie van een tegenstander zo snel mogelijk op zijn rug leggen. Het zou een metafoor kunnen zijn voor de handelwijze van Cor van der Geest, anders dan de anderen, bondscoach bij de vrouwen, gisteren clubcoach van twee kampioenen en negen prijswinnaars bij de nationale titelstrijd voor mannen.

Wanneer de biertjes rondgaan temidden der kampioenen, werpt Cor van der Geest een blik op Ben Spijkers. Met respect, dat zeker. De aandacht zal naar de veelvoudige kampioen uitgaan. Maar niet omdat hij weer zo'n goede judoka was vanmiddag. Nee, zo werkt het niet in de publiciteit voor judo. Relletjes tussen hem en zijn ex-coach Visser, tussen hem en Vissers huidige beschermeling Alex Smeets die iets over spuiten naar zijn hoofd geslingerd kreeg. Dat doet het beter.

“Binnenkort zit Spijkers bij RTL4. Mag hij met stront gooien. Mij hebben ze ook eens gevraagd. Even vertellen wat voor klootzakken er in de bond zijn. Ik doe dat niet. Ik werk daar niet aan mee. Ik heb me jarenlang te veel geërgerd aan al die rellen die niets met de sport zelf te maken hebben. Nou wordt zo'n Ferrie Hendriks van mij kampioen. Geen letter zal er over hem worden geschreven. Naar verloop van tijd zal hij zeggen: "Ik stop er mee, de meeste aandacht gaat uit naar de stront. Doe ik het daarvoor?' Communicatie via de pers is zolang ik bondscoach ben uit den boze. Dat weten die meiden intussen. Als de pers dan niet meer naar judo komt, dan geeft dat aan hoe zielig de pers is.”

Zo kennen ze Van der Geest, een 47-jarige Haarlemmer. Altijd nadrukkelijk aanwezig. Spontaan. Vroeger toen hij zich alleen nog als districtsafgevaardigde bij bondsvergaderingen kon manifesteren, waren zijn luide stem, de interruptiemicrofoon en een priemende wijsvinger zijn geliefde wapens. Hij kon omstreden bestuurders recht uit zijn hart vragen ter meerdere eer en glorie van het judobelang zo snel mogelijk op te stappen. Het werkte niet. Hij deed het te vaak. Hij werd op den duur niet meer serieus genomen. Hij heeft het beseft. “Maar toch heb ik zo ontzettend vaak gelijk gehad.”

Robbert van der Geest, pr-man van de judobond die bij zijn oom in de sportschool Ken Am Ju (Kennemer Amateur Judovereniging) werkt, kent zijn betrokkenheid. “Als je je nek wilt uitsteken, moet je eerst wat laten zien. Een positie verwerven. Nu hij een sterke club heeft, die kampioen van Nederland is, heeft hij wat achter de hand. Nu wordt hij serieus genomen. Destijds werd hij dat niet. Maar Cor is als judoka een winner. Als je je nek uitsteekt, dan wil je winnen.”

Zijn betrokkenheid bij de judosport gaat diep. Toen vorig jaar de affaire Irene de Kok zijn dieptepunt bereikte en de positie van bondscoach Leo de Vries onhoudbaar was geworden, wierp Van der Geest zich op als de initiatiefnemer van de dialoog. Hij lanceerde een zogenoemd Coachplatform en trad op als woordvoerder van de topcoaches. Het werd een opstapje voor Van der Geest naar de vacature van bondscoach. Opzet, werd er gekonkeld.

“Ik wilde De Vries niet per se aanvallen. Dat waren anderen. ik heb het moeten verwoorden. Ik vond het heel vervelend voor De Vries dat hij weg moest. Als mens. Maar er moest wat gebeuren. Dat ze toen mij hebben gevraagd als bondscoach was niet zo logisch. Ik was de laatste die ze konden vragen. Ik ben absoluut niet voor Cor van der Geest bezig. Maar ik wil nu bewijzen dat het ook anders kan in de judobond. Alle neuzen dezelfde kant op. Kan me niet schelen welke kant. Ik ben bereid naar iedereen te luisteren. Irene de Kok en haar coach Peter Ooms horen bij elkaar. Ik ga haar nooit coachen. Maar ik wens niet alleen reisleider te zijn.”

Tot en met de Olympische Spelen was Van der Geest bondscoach ad interim. Nu is hij bondscoach voor onbepaalde tijd. “Ik krijg hetzelfde salaris als De Vries, maar ik heb geen contract met de bond. Ik ben bezig met een topsportproject. En als dat klaar is praten we verder of ik tot de Spelen van 1996 blijf. De bond wil mij in vaste dienst. Maar eigenlijk wil ik nooit een contract. Ik wil niet financieel afhankelijk zijn van het bondscoachschap. Als ik weet dat ze morgen kritiek op me hebben, wil ik vandaag al weg zijn. Ik laat me niet afslachten zoals mijn voorganger.”

Hij beschikt niet over de judofilosofische achtergrond die coaches als Visser en De Korte zo sterk maken, misschien ook niet over de technische kennis. “Ha, daar komt die weer. Ja, ik was twee keer derde van Nederland bij de zwaargewichten, slechts. Maar wel in de tijd van Ruska. Ik had veel faalangst. Ik stond stijf van de spanning. Ik zeg wel eens: "Als ik Cor van der Geest in die tijd was tegengekomen, was ik kampioen geworden.' Ik heb geleerd met iedereen te praten, naar iedereen te luisteren. Visser weet alles van judo. Daar praat ik met hem over. Ik heb weleens een pilsje met hem gedronken. We zijn lachend naar bed gegaan. Dat hebben weinig mensen met Visser gehad.”

Ex-bondscoach Peter Snijders zegt: “Hij is eerlijk, hij durft zich te laten kennen. Bij anderen moet je dat ondervinden. Cor heeft tegenwoordig inzicht in zichzelf. Hij heeft dat ontwikkeld. Hij is geen kopie, zoals veel coaches, zoals zijn voorgangers. Hij behandelt de jongens en meisjes als judoka's, menselijk, spontaan, emotioneel, maar misschien is dat wel zijn zwakke punt.”

Jessica Gal traint sinds vier jaar met haar zusje Jennie bij Van der Geest. Trainen is onder hem leuker geworden. “Hij is erg betrokken, hij is goed in gevoelskwesties. Sfeer is voor hem het belangrijkst. Hij draait er nooit om heen. Hij kan heel hard zijn. Als buitenstaander lijkt het wel eens abnormaal hard, als binnenstaander weet je dat hij er op terugkomt. Toen ik naar hem toeging had ik wel mijn twijfels. Ik had hem tekeer zien gaan. Daar schrok je van. Maar hij blijkt het tegenovergestelde van wat ik dacht.”

Neef Robbert van der Geest: “Op het eerste gezicht is hij een boer. Maar hij kan zijn judoka's uitschelden zonder dat ze opstappen. Ze zeggen: "Hij heeft gelijk.' De centrale trainingen staan vol. Ze noemen hem niet voor niks "ome Cor'. Hij geeft mensen het gevoel dat ze voor hem belangrijk zijn. Ik was twee weken in Japan met hem en een groep van dertien jongens. Hard trainen, met veel jongens op één kamer, vreemd eten, ver van huis. Dat geeft irritaties. Dan ligt de tolerantiegrens heel laag. Als je ziet hoe hij dat opvangt. Dan zie je iedereen plotseling weer lachen.”

Met een oordeel uitspreken over de mentaliteit van vrouwen in de sport haal je de duivel in huis. De ex-bondscoach van de wielrensters Piet Hoekstra zegde huilende meisjes de wacht aan. Te veel vrouwen verschuilen zich achter het feit dat zij vrouw zijn en eerder pijn hebben, meende hij. Van der Geest heeft ervaren - om het maar voorzichtig te formuleren - dat jongens harder voor zichzelf zijn. “Acht jaar geleden stelde het damesjudo niks voor. Als er vier landen meedoen en je wordt kampioen? Maar ik mag dat nooit zeggen. En ook niet dat er niet zoveel zijn meisjes die zoals Jessica of Irene de Kok hard voor zichzelf kunnen zijn. Aan de andere kant ligt het me wel mee te voelen met de sporter, of het nu een jongen of een meisje is. Ik benader het judo vanuit de mens. De mens staat centraal bij judo, niet het judo.”

Tijdens de Europese kampioenschappen in Parijs in mei dit jaar rolde een pupil van hem huilend van de mat na een omstreden nederlaag. Andere judoka's koesterden haar in haar immense verdriet. Na vijf minuten greep Van der Geest in. “Verschrikkelijk. Wat een klootzakken die scheidsrechters. Maar nou is het genoeg. Niet huilen. Ophouden en wegwezen.” Even later wijst Van der Geest naar zijn nog altijd teleurgestelde judoka op het eredpodium. Streng overstemt hij bijna het volkslied. “Als je daar wilt staan, zul je heel hard moeten trainen. Heel hard, nog veel harder. Niks anders helpt. Begrepen.”

Hij wil dat wel verklaren. “Als dat meisje een keer verliest, mag ze teleurgesteld zijn. Maar waarom die ellende. Ze had nog niks gepresteerd. Ze moet verder, want dat wil ze zelf. Dan helpt alleen dat. Maar toen Jessica op de Olympische Spelen verloor, terwijl ze kampioen had moeten worden, was dat een ramp. Een echte ramp. Want een meisje dat al zoveel medailles heeft gewonnen maar geen olympische en dan verliest, dat is een ramp voor haar. Ze liep huilend weg. Ik moest haar oppikken, want ze moest nog voor de derde plaats. Dan kun je niet verdrietig blijven. Maar eigenlijk had ik tegen haar moeten zeggen: "Kom hier, laten we samen een uurtje gaan huilen.”