Smienten

Mistig hier. Ik loop met mijn hoofd in de kou en denk aan de koningin.

Deze vrouw ontroert me. Zodra ze in beeld verschijnt zit ik gekluisterd. Als die Amsterdammer haar nog een keer op beide wangen kust, smelt ik weg van jaloezie. Ik hou net zoveel van haar als de beste oranjeklant; anders, maar beslist niet minder. En nu blijkt ze ook nog goed haar werk te doen!

Ik denk aan hem, Lubbers tegenover de over elkaar geslagen benen van Maartje van Weegen. Lubbers bouwt. Lubbers bouwt aan de vorstin, wonder van toewijding en vernuft. In feite weet ze beter dan hij, Lubbers, wat er leeft in het land. Ze brengt hem, Lubbers, regelmatig op betere gedachten. Ze doet op gewiekste wijze navraag naar het falen van ministers. Hij, Lubbers, zal zich er wel voor hoeden haar iets te laten doen of zeggen tegen haar zin.

Ik denk: als ze zo goed is, waarom schaffen we hem dan niet af, waarom doen we Lubbers niet weg? Kabinet, parlement, politieke partijen, verkiezingen, nergens voor nodig, allemaal bij het oud papier. Alleen nog maar de koningin, veel eenvoudiger, veel goedkoper.

Ik denk: als ze het dan eindelijk voor het zeggen heeft kan ze mooi een eind maken aan dat gewauwel over haar.

Ja, mistig hier. Eigenlijk alleen het smachtende gefluit van smienten.

    • Koos van Zomeren