Levenslessen van dode dienstmeisjes voor een jaloerse Weense arts

Voorstelling: An der schönen blauen Donau. Tekst en regie: Paul Feld. Spel: Simone Delorme, Herman Egbers, Marian Morée, John Serkei, Oda Spelbos. Grime: Eugenie Dieteren. Gezien: 1/11 Theater Bellevue, Amsterdam. T/m 29/11 (niet op za en ma) aldaar, aanvang 12u30.

“In de bloei van zijn leven is men geen toeschouwer meer. Men neemt deel en kent zijn positie. In zijn tijd, in zijn wereld, in zijn heelal.” Zoals Johann Strauss Junior al bij de opmaat tot An der schönen blauen Donau het centrale motief van zijn magistrale wals aangeeft, zo verklapt Paul Feld in de openingszin van zijn gelijknamige toneelstuk al om welk probleem het hem te doen is. Want wat betekent dat: deelnemen aan het leven?

Ironisch genoeg staat dokter Dobbs, de bloedserieuze hoofdpersoon die deze sleutelzin uitspreekt, zelf helemaal niet middenin het leven; zijn wereld bestaat alleen uit doden. Het is zijn taak mensen die door geweld om het leven gekomen zijn wat op te lappen voordat zij definitief de kist in gaan. We bevinden ons in het jaar 1884; Wenen is in de ban van een serie dienstmeisjesmoorden. Sinds er onder de slachtoffers ook enige niet-joodse dienstmeisjes vielen heeft de politie de jacht op de moordenaar verscherpt. Met succes: een van de danig door de dienders toegetakelde lijken die de Britse arts moet repareren is dat van de seriemoordenaar.

Aan het rimpelloze leventje van dokter Dobbs komt een abrupt einde door het bezoek van het dienstmeisje Klara. Het had niet veel gescheeld of ook zij was van haar geld en leven beroofd en vervolgens in de Donau geworpen, maar dat lijkt allemaal totaal niet tot haar door te dringen. Zij wacht nog steeds op haar moorddadige minnaar, die zich toen hij nog leefde voor een Poolse vorst uitgaf. Sinds zijn kennismaking met Klara beschouwt dokter Dobbs de moordenaar als zijn rivaal. Hoe is het mogelijk dat vrouwen verliefd worden op zulke schurken?

In een reeks droombeelden tracht de jaloerse Dobbs dat geheim te ontraadselen. Zijn poging tot reconstructie van een van de dertien moorden levert een aantal bizarre scènes op. Een dood dienstmeisje, om het leven gebracht met behulp van een bijl die akelig goed zichtbaar in haar schedel is blijven vastzitten (knap werk van de grimeur), stapt monter uit een vrieskist en doet de ontmoeting met haar moordenaar nog eens dunnetjes over. Een dermate ontluisterd liefdespaar zie je niet vaak in het theater: de vrouw met die vreselijke bijl tussen haar krullen, de man met een blauw geslagen tronie zonder neus en ogen.

Daar zit veel meer achter dan alleen maar een voorliefde voor "special effects' en pulpromans. Regisseur-auteur Paul Feld kent de doden ook een didactische functie toe. Van hen leert de dorre dokter Dobbs dat het laf is om niets dan een buitenstaander, een voyeur te zijn. Deelnemen aan het leven, zo brengen uitgerekend de doden hem bij, betekent hartstochtelijk leven. Liegen, bedriegen en doodslaan, mits met vuur bedreven, lijkt altijd nog beter dan braaf en gevoelloos aan de kant te staan. Het is uiteindelijk dan ook niet de moordenaar, maar de arts met zijn klinische blik die voor een tribunaal van louter overledenen wordt aangeklaagd.

Even klinisch als de visie van de hoofdpersoon is de presentatie van het stuk. Het decor oogt kaal en lelijk en de regisseur doet geen enkele moeite om een Weense sfeer op te roepen. Dat is echter geen al te groot bezwaar, want de talloze dubbele bodems, rolwisselingen en sprongen in de tijd eisen toch al de volle aandacht van de toeschouwer op. En dan zijn daar ook nog de acteurs, die de tekst met subtiele gebaren van commentaar voorzien.

An der schönen blauen Donau is zo compact en flitsend dat je deze lunchvoorstelling eigenlijk twee keer moet gaan zien wil je er echt iets van begrijpen. Het heeft alleen geen zin om boterhammen mee te nemen, want de aanblik van zoveel doden op het podium is niet bepaald bevorderlijk voor de spijsvertering.