Handje geven

Theo woont in een benedenhuisje. Kwestie van leeftijd en van zijn hart. Zijn gordijnen zijn altijd gesloten. Zo zien de dieven niet wat hij bezit. Bij mooi weer zet hij de buitendeur open. Hij gaat op een stoel bij de drempel zitten en kijkt naar wat er op straat gebeurt. Naast die eeuwig blinde ramen lijkt het deurgat een donker oog. Ook vandaag nu ik langs zijn huis moet, staat het oog naar de wereld wagenwijd open.

“Kom binnen”, zegt Theo. “Wil je thee?” Hij begint een steelpan met water te vullen. Het huis ruikt doordringend naar dichte ramen. Ik informeer hoe het hem gaat. Hij steekt zijn eenpitsgasstel aan en moet vier keer blazen voor de lucifer uit is. “Dat zal ik je zeggen. Maar eerst dit.” Hij schenkt kokend water in twee bekers en kleurt dat met een theezakje bruin. Dan laat hij zich neer in de plastic stoel.

“Ik zit hier wel eens en dan denk ik vaak na. Iedereen praat alleen over ziekte. Kom ik op de markt voor fruit en voor snoep, hoor ik niks als ellende om me heen: die zijn vader is dood, die zijn teen moet eraf en die zijn vrouw krijgt geen maand meer te leven! Ik heb het zelf aan mijn hart, dat weet je. Als er nou iets met mij gebeurt?”

Om het gesprek een wending te geven, pak ik een ingelijste foto van een vrouw met een mooi bruin kindje op schoot en vraag of dat zijn kleinzoon is.

“Dat is mijn kleinzoon. Die was toen vier. Vlak voor ze naar Curaçao verhuisden.” Theo's hand reikt naar het lijstje. “Ik denk wel eens: ik zit in dat kind. In dat bruine mannetje zit iets van mij. Dat zijn mijn genen. Die zitten erin. Ze hebben een lange weg afgelegd: via mijn dochter in dat kind.” Zijn wijsvinger tikt bij ieder woord bezwerend tegen het glasplaatje aan. “En ergens over de oceaan woont precies zo'n man als ik. Een zwarte man. Die is ook opa van dat kind. Die zijn genen zitten er ook in. Die zwarte man en ik hebben een ding samen. Onze kleinzoon. Die hebben we samen.” Theo zwijgt. Hij roert in zijn thee. “Toch is het meer zijn kleinzoon want hij kan er iedere dag mee spelen. Ik denk wel eens: waar leven we voor? En mijn kinderen, waar leven die voor? Ik heb ze zelf gemaakt maar zo leuk is dat niet want zij worden ook oud. Eigenlijk was ik het gelukkigst toen ze jong waren. Want dan is het: "Ach, een poes. Kom dan poes. Kom, kom, kom.' En dan komt die poes en dan is het: "Hij komt. Ach, zijn staart.' En dan is het aaien.” Theo's armen wiegen een denkbeeldig poesje, zijn hand streelt de lijn van een poezerug. “Dan heb je geen opera meer nodig. En ook geen concertgebouw.

Ik zit wel eens op het plein voor de supermarkt en dan komen er kindertjes naar mij toe en daar praat ik dan mee. Van de week: zo'n grote, pikzwarte negerin met daarachter zo'n heel klein mannetje. Zo'n mannetje van een jaar of vier. Ook een halfbloedje, dat zag ik meteen. En ik praten tegen dat kind. En dat kind kijkt mij aan met precies van die ogen. En dan loopt dat mannetje door en zegt tegen zijn moeder: "Die meneer zegt me gedag.' En die grote negerin draait zich om en zegt met een enorme stem: "Gauw, ga gauw die meneer een handje geven.' En dat mannetje komt terug en daar krijg ik zo'n klein, bruin handje met van dat wit tussen de vingertjes.''

Theo neemt een slokje. “Ik hoor het die vrouw nog zeggen: "Gauw, ga gauw die meneer een handje geven'. ”