Geen reden om te sterven voor de staat

De pleidooien voor handhaving van de militaire dienstplicht richten zich vooral op het belang van de staat. Het belang van de dienstplichtigen en de aspirant-dienstplichtigen wordt daaraan ondergeschikt gemaakt. Tot een principiële afweging van beide belangen komt het nauwelijks. Dit is een onzorgvuldigheid die onrecht doet aan de positie van de burger in de staat.

Er zijn slechts twee verbanden waarvan mensen deel uitmaken zonder dat zij erom hebben gevraagd, het gezin en de staat. In beide verbanden zijn zij onderworpen aan ingrijpende beperkingen van hun vrijheid. Dat jonge kinderen niet altijd hun eigen inzichten mogen volgen is begrijpelijk, gezien hun leeftijd en gebrek aan ervaring. De vrijheidsbeperking in het gezin is overigens slechts van tijdelijke aard. Vroeger of later gaan de kinderen hun eigen weg; verantwoordelijke ouders bereiden hen daarop ook voor.

Ten opzichte van de staat liggen de verhoudingen anders. Voor de staat wordt men, strikt beschouwd, nooit volwassen. Ouders overlijden, de staat blijft. Van de wieg tot het graf is men aan zijn wetten onderworpen. Die wetten zijn veel strenger dan de strengste wetten in het gezin. Jonge mannen dienen zelfs bereid te zijn, voor de staat te sterven, onder omstandigheden die door de staat worden bepaald.

Waar haalt de staat dat recht vandaan? Daarover bestaat grote onzekerheid; wellicht is dat de reden dat er liever niet over wordt gesproken. In een discussie over de militaire dienstplicht is het echter de meest wezenlijke vraag.

Buiten het verband van het gezin en de staat onderwerpen mensen zich doorgaans vrijwillig aan verplichtingen ten opzichte van andere individuen en collectiviteiten. Van een godsdienstig genootschap, een politieke partij, een vakorganisatie, een sportclub, en dergelijke wordt men lid op basis van vrijwilligheid. Het begin van het lidmaatschap wordt in de regel gemarkeerd door een duidelijke wilsverklaring, waarin het nieuwe lid op zich neemt de regels van de organisatie te eerbiedigen en na te leven. Eveneens op basis van een uitdrukkelijke wilsverklaring kan het lidmaatschap in de regel worden beëindigd. Tal van maatschappelijke betrekkingen en verhoudingen worden beheerst door contracten, waarin de contractpartners, eveneens in de regel op basis van vrijwilligheid, hun wederzijdse rechten en verplichtingen hebben vastgelegd. Tal van contracten bevatten voorwaarden voor ontheffing van de verplichtingen of beëindiging van het contract.

Onze verhouding tot de staat berust daarentegen niet op enigerlei contract. Aan aankomende volwassenen, die via hun ouders de Nederlandse nationaliteit hebben verworven, wordt niet gevraagd of ze bereid zijn tot de staat toe te treden, laat staan dat met hen over de voorwaarden van het lidmaatschap wordt onderhandeld. Zij worden zonder meer geacht deel uit te maken van de staat, zijn wetten gehoorzaam na te leven en, zoals aangegeven, bereid te zijn voor de staat te sterven.

In ruil daarvoor ontvangen zij minimale mogelijkheden het staatsbeleid te beïnvloeden: eenmaal in de vier jaar mogen zij een stem uitbrengen op een kandidaat voor de Tweede Kamer, aan wie - eenmaal gekozen zijnde - het grondwettelijk is toegestaan, de opvattingen en wensen van zijn of haar kiezers aan zijn laars te lappen.

Slechts in een beperkt aantal gevallen verleent de staat genadiglijk dispensatie van gehoorzaamheid aan zijn wetten. Weigering om in het belang van de staat te doden of daaraan medeplichtig te zijn wordt onder voorwaarden ontzien. Weigering om voor de staat te sterven geldt daarentegen als laf of, in de meest extreme formulering, als verraad.

Juist omdat hij zo onontkoombaar is, zou de staat erop uit moeten zijn zichzelf aan maximale en de burgers aan minimale vrijheidsbeperkingen te binden. Dienstplicht, van welke aard dan ook, is een van de meest ingrijpende beperkingen van de persoonlijke vrijheid van de burger. Militaire dienstplicht kan hem zelfs het leven kosten. Dienstplicht is dan ook het allerlaatste middel waarvan de staat zich zou mogen bedienen. Militaire dienstplicht is slechts te rechtvaardigen als de vrijheid en de veiligheid van het land en zijn inwoners in groot gevaar verkeren en als dit onheil niet op basis van vrijwilligheid kan worden afgewend of gekeerd. Aan de eerste voorwaarde wordt thans niet voldaan en de tweede voorwaarde is onvoldoende onderzocht.

Wie dienstplicht wil motiveren met een beroep op vaderlandsliefde of met een beroep op solidariteit, verliest uit het oog dat vrijwilligheid het hart is van solidariteit. Dienstplicht daarentegen is dwang, dubbele dwang zelfs, indien zij in het gewaad van de solidariteit wordt gehuld. Niet alleen ontneemt de staat de dienstplichtige doorgaans tegen zijn zin zijn vrijheid, bovendien is het de staat die bepaalt met wie de dienstplichtige solidair behoort te zijn en wie zijn vijand is.