Een oefening in mededogen

“Het nieuws, of het nu plaatselijk nieuws is of wereldnieuws, is bijna elke dag slecht. Die dagelijkse portie slecht nieuws geeft mensen het gevoel dat ze op een telkens kleiner wordend gebied raken ingesloten. Vandaar die woedende uitvallen van tijd tot tijd, als vanuit een belegerde stad. Slecht nieuws maakt wrokkig.”

De Engelse schrijver John Berger, van wie deze uitspraak afkomstig is, heeft gelijk. De wereld waarin we leven wordt groter en kleiner tegelijk, brengt mensen nader tot elkaar en verder van elkaar af. Door de enorme uitwisseling van informatie zijn samenlevingen van elkaar doortrokken geraakt. Tegelijk leven mensen geïsoleerder dan ooit en zijn we nu dover voor "slecht nieuws' dan vroeger.

In een recente bundeling van essays, Stemverheffing, onderzoekt Berger de manieren waarop we ons afschermen tegen het slechte nieuws. Hij kiest zijn vertrekpunt in foto's en schilderijen, in kleine observaties. Zijn boek opent met een beschouwing naar aanleiding van één van de vele foto's van een mensenmassa in Oost-Europa tijdens het revolutiejaar 1989. Wat valt er eigenlijk af te lezen op de gezichten van deze mensen: bezorgdheid, verwarring, opluchting, geluk?

Om dat te begrijpen moeten we ons volgens Berger afvragen welk tijdperk ten einde loopt. Niet alleen het communisme gaat ten onder, maar het vooruitgangsgeloof dat van 1789 tot 1989 gedomineerd heeft. Een tijd waarin de bitterheid van het dagelijks leven werd gerechtvaardigd door een stralend visioen. Die bezeten gerichtheid op de toekomst sneed de mensen af van hun geschiedenis, van hun doden. “Zo zorgde twee eeuwen lang de "toekomstbelofte' van de geschiedenis voor een nog nooit vertoonde eenzaamheid onder de levenden.”

Als het einde van het communisme iets betekent dan is wel de terugkeer van het verleden, met al zijn mooie en treurige kanten. “Nu herstellen de levenden het contact met de doden, zelfs met de doden van lang geleden, en voelen mee met hun pijn en hun hoop”, aldus Berger, die ook wel het gevaar ziet van deze toeëigening van de eigen geschiedenis.

Ook de andere observaties gaan over de vraag onder welke omstandigheden de gevoeligheid voor de "pijn' van anderen kan floreren. Een foto van een Iraakse soldaat in krijgsgevangenschap vormt de aanleiding voor een relaas over de "doofheid' waarmee in de Westerse media de verschrikkingen van de Golfoorlog zijn begeleid of liever zijn verzwegen.

Dat brengt hem tot een andere reden waarom we niet met slecht nieuws kunnen omgaan: “De esthetica van het succes sluit de omgang met mislukking, verlies en onheil uit, behalve in zoverre wanneer de slachtoffers ervan kunnen worden gepresenteerd als de uitzonderingen die moeten worden geholpen door de succesvollen”. De geschiedenis wordt nu eenmaal door de overwinnaar geschreven.

In een wereld die steeds meer leert leven met een stortvloed van slecht nieuws is deze aandacht voor "onheil' naar de zijlijn geduwd. Het nieuws is bijna altijd slecht en wordt tot een dagelijkse routine, “een betreurenswaardige onderbreking in de overigens normale gang van het dagelijks leven”. De media zijn daaraan niet onschuldig, volgens Berger, ze banaliseren het leed en onderschatten het publiek, dat in aanleg heel goed weet hoe de zaken ervoor staan in deze wereld.

Berger vergelijkt de huidige omgang met slecht nieuws met de manier waarop dat in de Griekse tragedies gebeurt en concludeert: “Er zijn tal van waarheden waarvoor geen directe oplossing bestaat. Het woord "oplossing' raakt niet aan het tragische. Wij moeten in aanraking komen met het tragische en ons erdoor laten raken. We zouden er misschien door veranderen als we het benoemden.” Kortom, aandacht voor de onoplosbare, tragische kant van het bestaan is geen oproep tot gelatenheid. Integendeel, zij die slecht nieuws alleen nog maar kunnen zien in de mate dat het vatbaar is voor een "oplossing', hebben oogkleppen op.

Daarmee is lang niet alles gezegd. Via een schilderij van een krankzinnige man in het gesticht La Salpêtrière door Géricault laat Berger de keerzijde zien: het vermogen tot mededogen. De aandacht waarmee de schilder een verfomfaaide patiënt portretteert verwijst naar een kwaliteit van menselijke betrekkingen die steeds meer in het gedrang is gekomen, maar altijd wel weer ergens boven komt drijven.

“Voor mededogen is geen plaats in het natuurlijke bestel van een wereld die draait om noodzakelijkheid. (...) Het mededogen waartoe mensen in staat zijn gaat tegen dit bestel in en kan daarom het best worden opgevat als iets bovennatuurlijks. Wie uit zichzelf treedt, al is het maar even, om zich zozeer met een vreemde te vereenzelvigen dat hij hem of haar volledig erkent en herkent, trotseert de noodzakelijkheid.”

Uiteindelijk vloeien zijn waarnemingen samen in de kritiek op een samenleving waarin vooruitgang, maakbaarheid, succes en overvloed de maatstaven zijn. Deze ondermijnen de gevoeligheid voor de misère van anderen, die niet in deze geschiedenis van vooruitgang en overvloed delen.

Berger probeert met dit pleidooi ook iets van de morele intuïtie van het socialisme te redden, die met de val van de Muur dreigt weg te spoelen. “Marx vervlocht zijn opvatting van de wetten der geschiedenis met een heilsleer voor wie meelij wekten”, schrijft hij, en stelt vast dat deze opvatting misbruikt kon worden. Misbruik is niet de goede term, want de latere verwording van het socialisme lag vanaf het begin besloten in deze vermenging van moraal en historische wetmatigheid.

Camus schrijft in De opstandige mens: “Elk socialisme is utopisch, juist in de wetenschappelijke vorm. De utopie vervangt God door de toekomst. Daarmee worden toekomst en moraal gelijkgesteld. Alleen datgene wat de toekomst dient heeft waarde. Daarom is het socialisme bijna altijd dwingend en autoritair geweest. (...) Wanneer het goed en het kwaad in de tijd opgaan, vermengd worden met het evenement, is niets meer goed of slecht, maar enkel voorbarig of achterhaald. (...) Later zult U oordelen, zeggen de volgelingen. Maar de slachtoffers zijn er dan niet meer om te oordelen”.

Of er in dit opzicht dus veel van het socialisme te redden valt kan betwijfeld worden. Berger probeer het afscheid van de geschiedenis als bron van vooruitgang, niet in een geijkt cultuurpessimisme te laten verzanden. Daarbij leunt hij tegen religieuze voorstellingen aan. Het is niet voor niets dat hij voortdurend spreekt over het "bovennatuurlijke' als de plaats waar de moraal zetelt. Men zou kunnen zeggen: “het geloof in God herneemt de plaats van het geloof in de toekomst”.

Die stap zet Berger zeker niet, het is bij hem niet van het ene geloof naar het andere. Hij staat op de drempel en zoekt naar woorden voor “een mededogen dat van geen onverschilligheid wil weten en niet verenigbaar is met een gemakkelijk soort hoop”. Er valt vast iets af te dingen op Bergers stemverheffing, maar zijn ongelovige pleidooi voor mededogen is vooral een mooie, tegendraadse poging in een tijd waar het slechte nieuws een vanzelfsprekend onderdeel van het dagelijks leven is geworden.