De toekomst van Nederland ligt in Europa

Chaos en anti-Duitse sentimenten kenmerkten de overname van Fokker door Dasa. In de volwassen relatie tussen beide landen past zulke commotie eigenlijk niet, vinden Duitse industriëlen. De toekomst van Nederland ligt in Europa, constateert de Duitse correspondent van de Süddeutsche Zeitung in Den Haag.

Otto von der Gablenz, zeven jaar Duits ambassadeur in Den Haag, was voor veel Nederlanders een "goede' Duitser. Hij had begrip voor in Nederland heersende anti-Duitse sentimenten en deed zijn best vooroordelen waarop de animositeit was gebaseerd, weg te werken.

Onlangs liet de diplomaat, alweer twee jaar ambassadeur in Tel Aviv, zich op een Duits-Nederlandse conferentie in Haarlem heel wat minder mild uit over Nederland. Het Nederlandse beeld van Duitsland verslechtert.

De schuldige: “de media die graag en altijd het anti-Duitse sentiment in stand houden.” Dat gevoel van vijandigheid en de nabijheid van beide landen hebben, aldus Von der Gablenz, “niet voor een toenadering, maar voor een vervreemding gezorgd.”

Gezien de ontwikkelde handelsrelatie tussen Nederland en Duitsland is die stelling eigenlijk te vreemd om aan te nemen. Toch was duidelijk dat de verslaggeving over de onderhandelingen tussen Fokker en Dasa in de Nederlandse media maandenlang een bijzonder negatief karakter had. Een ambtenaar van EZ: “Wanneer wij met Britten over de overname onderhandeld zouden hebben, zouden we al die opwinding niet hebben gehad.”

Een factor die bijdroeg aan de kritische teneur van de berichtgeving was ongetwijfeld de houding van Economische Zaken. Een zichzelf respecterend minister zou niet hebben toegestaan dat zijn department zo lek is als een zeef. Maar het gebrek aan daadkracht is typerend voor het Nederlandse industriebeleid. Ook dat bestaat niet. EZ sprong op een rijdende trein, en probeerde achteraf verbeteringen aan het verdrag aan te brengen. De resultaten zijn bekend: beschadigde onderhandelaars en onduidelijkheid over hoe het nu in de toekomst verder moet.

Sympathie voor Duitsland is geen kenmerk van het Nederlandse buitenlandse beleid, en zeker niet van het economische. Toch zijn de wederzijdse economische belangen groot. Duitsland importeert jaarlijks voor circa 62 miljard mark aan goederen uit Nederland. Algemeen bekend in Duitsland is de Nederlandse landbouw; Duitsers zien Nederland als het land van kaas en tomaten.

Veel kleiner is het besef dat de handel in industrieprodukten veel groter is en dat Nederland en Duitsland op dat punt volwaardige partners zijn. De Nederlandse export van industriële goederen naar Duitsland is met 46,5 miljard gulden driemaal zo groot als die van landbouwprodukten. Omgekeerd exporteert Duitsland voor 50,5 miljard mark aan industrieprodukten naar Nederland.

In een volwassen industriële relatie, of het nu om gezamenlijke produktie of gezamenlijke handel gaat, past, althans wat Duitsers betreft, de commotie over de verkoop van Fokker eigenlijk niet. Het vraagstuk Fokker-Dasa kreeg in de Duitse media dan ook niet de belangstelling die men hier in Nederland had verwacht. De emoties die de afgelopen maanden in Nederland over Fokker tot uiting kwamen, stoelden op meer dan alleen de "uitverkoop van de nationale trots'. Het ging om de uitverkoop van de "nationale trots' aan Duitsland, in de Volkskrant het "vierde Rijk' genoemd. Het was angst om afhankelijk te worden, gedomineerd te worden, door Duitsers. Von der Gablenz: “Het trauma van de Duitse bezetting zal nog generaties lang een open wond blijven”.

Wie zich op de feiten concentreert, kan tot de conclusie komen dat Nederland wellicht kan profiteren van economische krachtenbundeling met Duitsland. Duitsland heeft een uitstekende infrastructuur en een economie van wereldklasse. Het verkeerssysteem stort zelden in elkaar, de vakbonden hebben de economie nooit met massale stakingen bedreigd. Een pluspunt voor de Duitse economie is ook het schoolsysteem, een ongeëvenaarde koppeling van theoretisch en praktisch onderwijs. Ook de Japanners beschouwen het Duitse onderwijssysteem als superieur, iedere tiende werknemer is academicus. Verder is er het voorbeeldige monetaire beleid van de Bundesbank, gebaseerd op de bestrijding van inflatie. Dat beleid is een richtsnoer voor het Nederlandse.

Bij zo'n nauwe monetaire band en zulke omvangrijke handelsstromen wekt het verbazing dat Duitsers en Nederlanders niet vaker samenwerken. Men vestigt wel distributiecentra in elkaars land, maar gezamenlijke investeringen zijn relatief gering. Het heeft ongetwijfeld iets met het mentaliteitsverschil te maken.

Bij inventarisatie blijkt het aantal Nederlands-Duitse fusies gering. Traumatiserend waren de moeilijkheden met het staalconcern Hoogovens, dat in 1972 met Hoesch in zee ging. Het samenwerkingsverband stortte tien jaar later ineen. In de Rotterdamse haven, die het voor het grootste deel van het Duitse achterland moet hebben, is weinig van Duits-Nederlandse bedrijven te bespeuren. Met uitzondering van die distributiecentra.

Bij Nederlandse exportbedrijven schaamt men zich zelfs op het hoogste niveau niet onverbloemd negatieve opvattingen over Duitsland te etaleren. Een directrice van het Centraal Bureau Tuinbouwveilingen gaf haar gehoor op de jaarvergadering in Den Haag te verstaan anti-Duits te zijn, omdat men dat als Nederlander nu eenmaal moet zijn. Bijval van alle boeren was haar deel. Als het aan haar ligt, hoeft Nederland hoeft niet bang te zijn voor Duitse overheersing.

Een verklaring voor de afwerende houding kan de afwijkende manier van besluitvorming zijn. In het Duitse bedrijfsleven worden beslissingen van "bovenaf' genomen; het zijn principebesluiten. In Nederland houdt men van discussies, ook nadat de besluiten al genomen zijn. De langdurige onderhandelingen tussen Dasa en Fokker zijn daar een actueel voorbeeld van. Er wordt nog over gediscussieerd als er al helemaal niets meer te bediscussiëren valt.

Ook daarom verloopt de samenwerking tussen Nederland en Duitsland niet echt soepel. Het blijft niettemin bevreemden, gezien het feit dat er ook zoveel overeenkomsten zijn. Ook Nederland kent zijn hiërarchische structuren, ook hier worden aan het eigen initiatief op de arbeidsplaats nauwe grenzen gesteld. De groeiende argwaan tegen Duitsers die Von der Gablenz al signaleerde, is overigens niet specifiek Nederlands. De groeiende macht van Duitsland gaf de voormalige Britse minister van handel, Nicolas Ridley, aanleiding te waarschuwen voor een Duits complot dat tot doel heeft Europa over te nemen.

Ook in Nederland wordt de Duitse bemoeienis maar moeilijk verdragen. Dit land wil maar niet inzien dat Duitsland negen buurlanden heeft, Nederland maar twee. Door zijn ligging in het centrum van Europa vangt het als "frontlijnstaat' de eerste klappen op van de vluchtelingenstroom uit het Oosten. Nederland kan rustig slapen - dank zij de grote buffer die Duitsland is. Maar wat Duitsland ook doet, het zal nooit iets goed doen.

“Er bestaat een muur in de hoofden van mijn landgenoten”, zei een van de Nederlandse deelnemers aan de Duits-Nederlandse conferentie in Haarlem. Een muur, “die uit stenen van arrogantie, angst en minderwaardigheidsgevoelens jegens Duitsland is opgebouwd.” Een Duitse diplomaat in Den Haag merkte op dat met de heersende anti-stemming moeilijk tot een redelijk gesprek met Nederlanders is te komen. Elke Duitse stap wordt per definitie negatief uitgelegd. Of het nu ging over de heilig verklaarde nationale trots Fokker, of over het door de anti-firma Mercedes "bedreigde' DAF.

Bij Dasa in München realiseerde men zich dat naarmate het overleg voortduurde. “Het was de moeilijkste taak van ons leven. Als wij geweten zouden hebben met hoeveel stenen wij bekogeld zouden worden, zouden we wel drie keer hebben nagedacht.” Niemand, maar dan ook niemand heeft zich gerealiseerd dat het Duitse verleden in Nederland nog zó sterk leeft dat zelfs economische belangen daaraan ondergeschikt worden gemaakt. Bij Dasa stond men perplex.

In grote delen van Duitsland heeft men nog steeds een heel ander beeld van Nederland: vriendelijke mensen, een mooie vakantieland, het land van kaas, melk en industrietomaten, het land van Cees Nooteboom en Herman van Veen en het land van Beatrix. Nederlandse tv-presentatoren als Marijke Amado, Linda de Mol en Rudy Carrell zijn populair, en geen Duitser zou de Volkskrant begrijpen die hen “onze wraak op Duitsland” noemde.

Dat zó'n land nog steeds zo worstelde met het Duitse verleden, en daardoor zo emotioneel reageerde, zo stroef onderhandelde, verbijsterde de Duitse industrie. Hoewel de overname van Fokker nu in kannen en kruiken is, vraagt men zich nog steeds geschokt af waarom Fokker en Economische Zaken eigenlijk niet hebben gekozen voor "droompartner' British Aerospace. Voor Nederlanders is het, tegen deze achtergrond, ongetwijfeld griezelig vast te stellen dat Nederland zijn industrie aan de vijand heeft verkocht.

Fokker-topman Erik Jan Nederkoorn formuleerde al eerder dat de onderhandelingen met Dasa de schoonheidsprijs niet hebben verdiend. Alle drie partijen zijn beschadigd en er zal veel tijd nodig zijn om het puin van arrogantie en boosaardigheden te ruimen.

Inmiddels heeft Duitsland wel wat anders aan het hoofd. Recessie tekent zich af, de voormalige DDR blijkt een bodemloze put. Voor de meeste Duitse bedrijven blijft Holland even spannend als een uitgedroogde appel. Er is geen reden om aan te nemen dat dit in de nabije toekomst anders zal zijn.

Intussen formuleren de ministers in Den Haag zorgvuldig hun woorden als ze het over Duitsland hebben, maar tonen zich bevreesd daadwerkelijk de handen ineen te slaan. Of dat nu op buitenlands politiek terrein is - Oost-Europa, rechtsextremisme - of op economisch gebied. Duitsland kan weinig goed doen, maar Nederland doet niets.

De houding van EZ tegenover zijn Duitse gesprekspartners is net zo aanmatigend en antipathiek als die van minister Hans van den Broek van buitenlandse zaken, toen hij de Duitsers kapittelde over hun houding tegenover het voormalige Joegoslavië. In beide gevallen was vooral sprake van onwetendheid.

Nederland, traditioneel Atlantisch denkend, met de blik op de zee, moet beseffen dat zijn toekomst binnen Europa ligt. Duitsland van zijn kant, heeft wellicht geleerd dat het in de omgang met Nederlanders nog steeds rekening moet houden met een "levend verleden'.

    • S. Weidemann