Connors een marinier met een racket

Een marinier die met zijn geweer rechtop exerceert of de manier waarop Jimmy Connors zijn tennisracket vasthoudt wanneer hij na het maken van een punt naar de baseline marcheert.

Sportpsycholoog Jim Loehr ziet er nauwelijks verschil in. De vermaarde Amerikaan oreert op uitnodiging van de Vereniging van Nederlandse Tennisleraren (VNT) en racketfabrikant Wilson in sportcentrum De Rijnkom in Renkum waar meer dan honderd tennisleraren leergierig aan zijn lippen hangen. Het werken aan het zelfvertrouwen en de mentale hardheid van een tennisser is voor Loehr hetzelfde als de opleiding van een soldaat voor zijn taak op het slagveld. Een "mental-fitness'-programma dat derhalve al langer bestaat dan 2000 jaar, zo lang er oorlog gevoerd wordt eigenlijk. “Het beeld van een bange marine die naar Vietnam moet is wel het laatste waar het publiek op zit te wachten. Daarom, toon nooit openlijk je zwakheid. Wat je innerlijk ook voelt. Een toptennisser loopt na een punt recht op. De opgeheven kin in rechte lijn met het racket wanneer een speler naar de snaren kijkt om zich te concentreren. En niet zoals de meeste junioren doen, met gekromde rug, het racket bijna tegen het gezicht. Een balletje laten stuiteren voor de service, aan de bespanning van het racket peuteren etc, het zijn rituelen waar vrijwel alle topspelers zich unaniem van bedienen. Zij hebben optimaal gebruik leren maken van de periode van 25 seconden die zij tussen het spelen van de punten hebben om te recupereren van het vooraf geslagen punt.”

Tijdens zijn studieperdiode heeft Loehr wel acht uur per dag de video-opnamen bekeken van de topspelers tijdens de grote toernooien. Uitvoerig hun lichaamstaal bestudeerd. Hij roemt de perfecte harmonie in beweging en koude oorlogvoering op de baan van John McEnroe. “John moet wel schreeuwen om zijn zenuwen de baas te blijven. Gaan zijn emoties zijn spel beheersen dan staat hij te schutteren als een beginneling. Maar hij heeft weer een heel specifiek ander probleem. Hij verandert in een totale maniak.”

Loehr bewondert de perfectie en concentratie op de baan van spelers als Connors, Chang, Lendl, Courier en Agassi, maar is al evenzeer gefascineerd door de aanblik van speelsters als Martina Navratilova en Chris Evert. Hij toont een videobeeld van Evert op 0-40 bij triple-breakpoint. “De blik van deze dame is er niet één van iemand die het al opgegeven heeft? Is het wel”, stelt hij zijn ademloos luisterende gehoor een retorische vraag. Of wanneer Lendl een roofdierachtige blik op zijn tegenstander aan de andere kant van het net werpt sneert Loehr: “Niet de jongen die op het punt staat om je op vriendelijke toon te vragen, hallo hoe gaat het met je?”

Loehr is een autoriteit in de Verenigde Staten. Hij werkte vijfeneenhalf jaar op de Nick Bollettieri Tennis Academy in Florida, de bijna magische kampioenenschool, en ruim twee jaar bij de Amerikaanse tenisbond (USTA). “Toen ik bij Bollettieri kwam waren er nog maar weinig kampioenen te bespeuren”, herinnert Loehr zich. “Alleen Arias. Bollettieri stond echter open voor veranderingen en we hebben daarna explosieve vorderingen gemaakt. De "leerlingen' kregen van mij televisie op hun kamer, mochten eten meenemen naar hun kamer, kregen minder vetrijk voedsel en we hadden een stoet van kampioenen. Courier, Agassi, Seles, Wheaton.”

Niettemin heeft Loehr de nodige scepsis bij zijn werk ondervonden voordat hij algemeen werd geaccepteerd als een soort wonderdokter. “Logisch”, geeft hij ruiterlijk toe. “Er rust een soort stigma op mijn werk. Er is geen erg grote acceptatie van spelers die toegeven dat er met hun mentale instelling iets mis is op de baan. De buitenstaanders redeneren navenant. Wanneer iemand de adviezen van een psycholoog inwint dan moet er fundamenteel wel wat mis met zo'n tennisser of speelster zijn. Ik heb jaren tegen dat beeld moeten vechten. Nu ze de successen zien is het minder. Soms hebben spelers het talent maar komt het er niet uit. Of ze vallen mysterieus terug op de ranglijst. Shuzo Matsuoka was zo'n speler. Nummer één van Japan, maar hij duikelde in drie maanden honderd plaatsen. We zijn aan de slag gegaan en nu staat hij weer 66.

Maar de technisch directeur van de Nederlandse tennisbond Stanley Franker vindt te veel psychologishe hokus pokus eigenlijk maar onzin. “Gelijk heeft hij”, beaamt Loehr. “Ik ben geen tovenaar. Mijn rol is de coach een methode aan te reiken waardoor hij beter zijn werk kan doen. Het belangrijkste is dat je op de baan als speler je tijd neemt. Naarmate Evert, Capriati, maar ook Edberg of zelfs Ivanisevic beter gingen presteren zag je dat ze tussen de slagenwisselingen optimaler de tijd benutten om zich op het volgende punt te concentreren. Hoewel Ivanisevic vaak nog veel te snel zijn punten probeert binnen te halen. Maar het gaat de goede kant op.”

Twee dagen heeft Loehr gewerkt met Brenda Schultz, de even grillige als talentvolle Heemsteedse. “Ik heb haar te kort gehad om te weten wat er precies aan schort.” En over Nederlands tweede coryfee, Richard Krajicek, die regelmatig gebruik maakt van de diensten van haptonoom Ted Troost, houdt Loehr zich al even zeer op de vlakte. “Ik moet eerst nog wat video-opnamen van hem bekijken om een juist inzicht te krijgen. Maar wat ik tot nu toe ook op de baan van hem heb gezien gaat hij een briljante toekomst tegemoet.”

Het gehoor van tennisleraren zit dan al aan de lunch. Bij het verlaten van de zaal zie je de peinzende gezichten: Een leuk verhaal. Maar hoe vertaal ik deze kennis op mijn eigen park, waar huisvrouwentennis veelal de voornaamste bron van inkomsten is.