Buiten de les spreekt niemand Nederlands; "Basiseducatie is soms meer cursus sociale redzaamheid'

Onderwijs aan leerlingen met een achterstand - vaak allochtonen - heeft niet het beoogde resultaat gehad. Tot die sombere conclusie kwam de commissie-Van Kemenade in een vorige week gepresenteerd rapport. Reden om aan te dringen op meer aandacht voor Nederlands als tweede taal.

AMSTERDAM, 2 NOV. Astrid Sanichar staat hoofdschuddend stil bij de tafel van Ali. Het zinnetje "Ik kom op je feest, maar...' dat in zijn boek staat, heeft hij aangevuld met "ik heb geen geld'. “Om te komen op mijn feest heb je geen geld nodig, hoor Ali”, zegt ze vrolijk. Malika wil Ali helpen en zegt voor: “Maar ik heb geen broek”. Dan krijgt ze een rood hoofd en barst in lachen uit. “Geen feestbroek!”

Acht leerlingen telt de groep "nieuwkomers' vandaag, vier Turken, vier Marokkanen. Sanichar heeft juist de opgaven uitgedeeld voor de Nederlandse les. De centrale afdeling van de Open school voor volwassenen in Amsterdam verzorgt twee cursussen: basiseducatie voor groepen geselecteerde nieuwkomers en een vervolgcursus gericht op een beroepsopleiding.

De basiseducatie wordt gefinancierd door de gemeente. Leerlingen moeten tussen de 18 en 35 jaar oud zijn, mogen niet langer dan een jaar in Nederland wonen en niet meer dan acht jaar onderwijs hebben genoten. Deze mensen krijgen lessen Nederlands als tweede taal. De nieuwkomers, zegt P. Ronday, decaan voor het onderwijs aan volwassenen op de Open school, moeten snel inburgeren. De cursus is dus tamelijk intensief: vijftien uur per week Nederlands en drie uur maatschappijleer, die wordt gegeven in een mengelmoes van Frans, Engels en Nederlands.

“Ik zag je werken vanmorgen, Ali. Goed hoor”, zegt Sanichar. “Sommige niet goed”, antwoordt hij. Ali is zeven maanden in Nederland en werkt af en toe in de slagerij van zijn vader. Het helpt hem een beetje bij zijn Nederlands. “Maar altijd hetzelfde. Alles kost gulden.” Zelfs die kleine ervaring heeft hij voor op de meesten van zijn klasgenoten, die net als hij in juni zijn begonnen. Buiten de Open school wordt in de regel geen Nederlands gesproken. Alleen Hamid, die zelfs op deze regenachtige dag zijn zonnebril ophoudt, heeft een Nederlandse vriendin en spreekt wat makkelijker.

Hij steekt zelfverzekerd zijn vinger omhoog wanneer Sanichar vraagt wie nul fout heeft in zijn dictee. Ook Malika's dictee is foutloos. Met een hoofddoek om, haar regenjas om haar lijf geknoopt, oogt zij als een streng-islamitisch opgevoed meisje. Toch zit ze in een van de zes gemengde groepen en niet in de vrouwengroep, waar de vrouwen zitten die van hun vader of man niet in één groep met mannen mogen. Malika begrijpt de grammatica zo snel dat Sanichar vermoedt dat ze meer dan acht jaar school heeft doorlopen.

De kennis van deze leerlingen is over het algemeen beperkt. “In hun eigen land zouden ze niet op de middelbare school thuishoren.” Toch is Sanichar tevreden: “De eerste week konden we in het geheel niet met elkaar communiceren.” Nu maakt ze al grapjes met de leerlingen.

Dat het rapport van de commissie-Van Kemenade aandringt op een meer doelgerichte aanpak en zichtbaar resultaat, zoals doorstroom naar vervolgopleidingen, vindt zij uitstekend. Als voormalig middelbare-schoollerares heeft Sanichar haar bedenkingen bij sommige vormen van basiseducatie. “Die komen voort uit het vormingswerk en dat is allemaal vrijblijvend. Het gaat vooral om sociale redzaamheid en om de gezelligheid.”

Aan het eind van de les komen twee leerlingen van de vervolgcursus binnen. Hun woordenschat is veel gevarieerder en ze leggen snel uit waarvoor ze komen. Drie weken geleden hebben ze geld ingezameld voor de vliegramp in de Bijlmermeer. De opbrengst hebben ze naar het Rode Kruis gebracht maar er was al genoeg rampengeld. “Vinden jullie het goed als we het nu naar Bosnië-Herzegovina sturen”, vragen de twee. Hamid vindt het goed, hij is de enige. Ali, Malika en de rest kijken glazig voor zich uit. “Ze hebben het niet helemaal begrepen”, ziet Sanichar. “Maar het is wel goed, ik leg het ze straks uit.”

Dan geeft ze huiswerk op. Dat begrijpen ze heel goed. “Voor morgen”, vraagt Ali bezorgd als hij de hoeveelheid bekijkt. “Ik niet komen.”