Andriessen: Fokker begreep het spel niet, Dasa donders goed

Fokker heeft in de onderhandelingen over zijn eigen overname nauwelijks een rol van betekenis gespeeld. Al in een vroeg stadium leverde de Nederlandse vliegtuigfabrikant zich volledig over aan het Duitse Dasa, zonder alternatief toekomstplan, zonder alternatieve financieringsbronnen. Fokker was overhaast, slordig, en onbedachtzaam. Minister Andriessen (economische zaken) kijkt terug op de Fokker-affaire en blikt vooruit op de financieel-economische dilemma's voor 1993.

DEN HAAG, 2 NOV. “In de onderhandelingen in juli heeft Fokker geen grote rol gespeeld. Wel een enkele maal als een stelletje kinderen die zeiden: Pa, alstublieft, alstublieft, ga niet te ver.” Nadat Fokker eenmaal voor Dasa had gekozen en de vliegtuigbouwers samen een raamcontract hadden gemaakt, liet Fokker de besprekingen goeddeels over aan zijn toekomstige partner. Op zichzelf logisch vindt Andriessen, immers Fokker vond dat ze klaar waren. “In de onderhandelingen zelf waren ze non-existent.”

Dertien maanden lang was CDA-minister Andriessen nauw bij het dossier Fokker betrokken. Dertien maanden lang onthield hij zich van commentaar over de voortgang van de besprekingen en de kritiek die Kamerleden, pers en bestuurders van Fokker over hem uitstortten.

Zaterdag gaf Andriessen in een uitgestorven ministerie van buitenlandse zaken - zijn tijdelijk onderkomen omdat zijn eigen departement wordt gerenoveerd - zijn lezing van de gebeurtenissen. De sigaar ("Nee, geen feest-sigaar') wordt aangestoken. Voorafgaand aan het gesprek stelt hij als eis dat niet over personen wordt gesproken. “Het gaat om de zaak, niet om de poppetjes.” Koos Andriessen is de Staat, Erik-Jan Nederkoorn is Fokker en Jürgen Schrempp is Dasa. Zelf zal hij zich die middag niet "verspreken': de naam Nederkoorn valt niet één keer.

De kiem voor de veelbesproken wrijvingen tussen Fokker en de overheid werd al in de beginfase gelegd, reconstrueert de minister. Toen hij voor het eerst over het voorgenomen huwelijk hoorde, had Fokker al voor Dasa gekozen - naar later bleek - vol overtuiging en zonder reserves. Andriessen was niet onverdeeld gelukkig met die aanpak.

Het onderhandelingsspel had ook anders gespeeld kunnen worden. Andriessen: “Ik zou zelf een andere strategie hebben gekozen.” De Nederlanders hadden bij voorbeeld besprekingen kunnen openen met Duitsers èn Fransen om tot een Europese samenwerking te komen. Als voordeel van die optie zag hij “iets meer evenwicht in de uitkomst.” Toch respecteerde hij de keuze van Fokker. Het ging om het besluit van een zelfstandige particuliere onderneming en Andriessen zag geen heil in pogingen Fokker tot een andere koers te bewegen. Het kader voor de onderhandelingen was daarmee geschapen: Dasa wilde 51 procent van de Fokker-aandelen en de overheid mocht zich in de nieuwe situatie niet meer met Fokker bemoeien. Met de eerste eis ging Andriessen vrijwel onmiddellijk akkoord. De "nul-inmenging' die Dasa verlangde, is later omgezet in een veto-recht van de overheid voor een periode van drie jaar. Andriessen besloot na een oriënterend gesprek met Dasa-bestuursvoorzitter Jürgen Schrempp de besprekingen op afstand te volgen.

Waarom op afstand? Andriessen: “Ik ben een aandeelhouder, weliswaar een belangrijke aandeelhouder, maar ik mocht niet veel meer zeggen dan een gewone aandeelhouder. Als ik eerder had ingegrepen hadden andere aandeelhouders gezegd: "U zit zichzelf te bevoordelen'. Je moet erg oppassen voor bevoordeling en dat heeft mij in het begin een beetje de handboeien aangedaan.”

In mei vond Andriessen een rechtvaardiging om zich intensief met de zaak te bemoeien. Fokker werkte aan een overnamescenario waarbij de overheid buitenspel zou worden gezet. Volgens het zogenoemde onderlangs-model zouden de belangrijkste bedrijfsonderdelen van Fokker overgaan naar Dasa, terwijl de aandelenstructuur ongewijzigd bleef. “Toen ben ik veel actiever geworden, want dat was een daad die àlle aandeelhouders zou schaden. Toen heb ik de vrijheid gevonden om te zeggen "hé, hé, hé, wat hier gebeurt is onoirbaar'. Ik ben toen zó kwaad geworden! Ik ben naar Amsterdam gegaan en heb gezegd: daar hou je mee op! Daar wil ik niets meer van horen.”

Nadat het onderlangsmodel van tafel was, namen de besprekingen definitief een andere wending. Tot die tijd sprak Dasa met Fokker over een overname; vanaf dat moment stonden de vliegtuigbouwers gezamenlijk tegenover de Staat der Nederlanden.

De relatie tussen Fokker en de overheid kwam op scherp te staan toen de twee bedrijven begin juli een tussentijds akkoord presenteerden. Andriessen over het zogenoemde Operational Agreement: “Het was een akkoord van een partij die alles goed had overdacht en van een andere partij die daar niet voldoende kans voor had.” Medewerkers van de minister noemden het contract destijds “een vodje papier”. Dat was het volgens de minister niet. “Het was het resultaat van onderhandelingen tussen niet gelijkwaardige partijen.”

Fokker had zich in zijn ogen min of meer overgeleverd aan Dasa, het bedrijf was in de woorden van de minister bezig met “een vlucht naar voren”. Fokker had afgezien van een aandelen-emissie van 500 miljoen gulden en kwam daardoor steeds krapper bij kas te zitten. “De grote vraag voor mij is altijd geweest: waarom hebben ze de emissie laten lopen? Omdat het aandelenkapitaal niet werd uitgebreid, moest de onderneming naar voren vluchten. Dàt bepaalde de mars van de schaker Fokker. Een onderneming groeit, zwelt op, dat moet worden gefinancierd. Ze moesten een emissie plaatsen.”

Omdat Fokker zich had overgeleverd aan Dasa, moest Andriessen zelf in het strijdperk treden om het Nederlandse belang te behartigen: Fokker moest de leidende positie in het segment van vliegtuigen met 65 tot 130 stoelen krijgen. En die leidende positie moest “worden vastgelijmd” aan Nederlandse bodem. “In al dat vastpinnen vond ik steeds een Dasa dat op elke komma lette en ik had steeds een Fokker dat daar minder oog, minder belangstelling voor had. “In de onderhandelingen hebben ze ook eigenlijk geen rol gespeeld. Behalve op twee punten. Ze zeiden voortdurend: minister doet U het, want wij kunnen niet anders. En minister doet U het, want anders moeten wij heel veel mensen ontslaan. Fokker zag het spel niet. Dasa zag het donders goed en speelde het hard.”

Na de befaamde "Fokker-nacht van 23 juli' resteerden nog twee zaken waarover geen overeenstemming was bereikt: de prijs van het aandeel en de Fokker 50. Daarover werd maandenlang gesproken totdat Dasa twee weken geleden 25 gulden per aandeel bood. Een voor Andriessen onacceptabel bod. “Ik dacht toen: het is afgelopen.”

Intussen had Andriessen zich verzekerd van een "oorlogskas': er was geld om liquiditeitssteun te verstrekken in de vorm van leningen en er was geld om het vermogen op te vijzelen. Andriessen wilde - in samenwerking met de banken - de gemiste emissie van 500 miljoen gulden opvullen. Hetgeen een overheidsssteun op de lange termijn van 250 miljoen gulden zou hebben betekend. Had Andriessen zich niet veel eerder van een oorlogskas moeten verzekeren om zo een alternatief te hebben in de onderhandelingen?

“Daar had Fokker voor moeten zorgen”, reageert de minister. Hij vond de vorming van een strijdpot pas te rechtvaardigen toen duidelijk werd dat Dasa onvoldoende wilde betalen. “Ik ben de onderhandelingen ingegaan met het vertrouwen: hier komen we uit. Dan ga ik toch niet gelijk een oorlogskas creëren.” De liquiditeitssteun in de vorm van een staatsgegarandeerde lening van 300 miljoen gulden is ondanks de overname verstrekt, vermogenssteun was dankzij het vorige week bereikte akkoord niet meer nodig.

Snel na de breuk in de onderhandelingen kwamen er toch weer gesprekken op gang, aldus Andriessen, die toen besloot nog één keer te proberen overheid en onderneming op één lijn te krijgen. Dat lukte. Vrij snel werd men het eens over een prijs van 37 gulden per aandeel.

Tijdens de onderhandelingen over de garanties voor de Fokker 50 liep het tussen Den Haag en Amsterdam toch weer spaak. Het eindspel typeert Andriessen als “zo knullig dat ik daar eigenlijk niet over wil praten”. Een mondelinge afspraak over de toekomst van de Fokker 50 stond tot twee keer toe anders op het fax-papier. “Onacceptabel want het gaat om een zeer belangrijke activiteit voor Fokker; een kwart van de omzet wordt met dit toestel gehaald en twintig procent van de werknemers werken eraan. Fokker en Dasa waren aan het onderhandelen over de toekomst van de Fokker 50. Wij hadden donders goed door wat we vroegen en Dasa had donders goed door wat ze aanboden. Alleen Fokker begreep het niet.”

Met gevoel voor eufemisme noemt Andriessen de uiteindelijke compromis-formulering “zwaar bevochten en toch ben ik er niet helemaal tevreden mee. Maar ook niet ontevreden. Voorlopig is het dossier gesloten.”

Wat is de invloed van de Fokker-zaak op het industriebeleid?

“Met de nota "Economie met open grenzen' hebben we het industriebeleid op de rails proberen te zetten. Maar twee jaar geleden was er niet zoveel belangstelling voor. Fokker heeft als katalysator gewerkt.”

Wat betekent dit concreet voor uw beleid dat u deze week bij de begrotingsbehandeling in de Tweede Kamer moet verdedigen?

“De weg die we hebben ingeslagen, moeten we versneld afleggen. In kernwoorden: een vergroting van de rol van techniek in de samenleving, meer onderzoekscentra, meer samenwerkingsverbanden tussen bedrijven en universiteiten. Soms priegelwerk, maar het moet gebeuren. De neuzen moeten dezelfde richting uitstaan. Je kunt daar wel meer geld in kwijt, maar het scheppen van netwerken en het gebruiken van hersens is belangrijker.”

En welke rol is weggelegd voor het op te richten Industriefonds?

“Wat u een Industriefonds noemt, zou ik graag een aangeklede BF-regeling willen noemen. We hebben al zo'n Bijzondere Financierings-faciliteit voor kleinere ondernemingen waarbij ongeveer twee miljard gulden is uitgegegeven. Ik probeer banken, verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen enthousiast te maken voor een faciliteit waarmee we strategische industriëen tijdelijk een financieel steuntje in de rug kunnen geven. Of hoogwaardige technologische projecten, die anders niet van de grond komen, financieren. Het hutje-mutje bij elkaar brengen van geld is geen eenvoudige zaak.”

De groei van de economie happert. Wat voor alternatief heeft de minister van economische zaken te bieden?

“Ik maak me zorgen dat we in Den Haag altijd zo automatisch reageren. We zijn nooit een keer bereid om even een stap terug te doen. Even analyseren in wat voor situatie we ons bevinden. In een bijna-recessie kun je niet alles tegelijk realiseren. Dat noem ik verbaal geweld.

“Het Regeerakkoord is gebaseerd op een groei van 2,5 procent per jaar. Even de cijfers op een rijtje. 1990: 4,6 procent. Heel mooi, maar dat hebben we allemaal alweer verjubeld, zowel in de particuliere sector als bij de overheid. 1991: 2 procent. 1992: 0,4 procent. 1993: 0,7 procent. Over deze drie jaren een gemiddelde groei van één procent tegen een gemiddelde van 2,5 in het Regeerakkoord.”

Conclusie: door de tegenvallende groei zijn de afspraken ten aanzien van het financieringstekort van het rijk en de collectieve lastendruk (belastingen en sociale premies) niet meer te handhaven.

“Ik probeer de politiek iets uit te leggen. Bij de algemene politieke beschouwingen is wel honderd keer gezegd: "werkgelegenheid heeft prioriteit'. Daar ben ik het voor honder procent mee eens. Maar accepteer dan ook de consequenties. Als het nou om slechts één jaar zou gaan, dan kun je redeneren: "even de buikriem aanhalen'. Maar het zijn drie jaren op een rij.”

Kortom: pas op de plaats met het terugdringen van financieringstekort en lastendruk?

“Ten opzichte van de Macro Economische Verkenningen hebben we in twee maanden tijd tien miljard gulden welvaart verspeeld. Het nationaal inkomen ligt twee procent lager. Gevolg: automatisch stijgt de collectieve lastendruk en het financieringstekort, want beide grootheden worden uitgedrukt als percentage van het nationaal inkomen. Maar de ellende zit vooral in de particuliere sector. Daar kelderen de winsten, gaan de investeringen omlaag en wordt de werkgelegenheid bedreigd. Een loonpauze is absoluut noodzakelijk.”

“De inkomens van de mensen stijgen dus minder en dat betekent dus ook minder inkomsten- en loonbelasting. De winsten vallen tegen en dat betekent minder vennootschapsbelasting. Moet je als overheid deze tegenvallende inkomsten compenseren met extra bezuinigingen? Ik vind dat je dan bezig bent met een verkeerde aanpak van de problemen.”

Het kabinet wil deze week de losse eindjes van de begroting 1993 aan elkaar knopen. Denkt u ...

(fel interrumperend) “Ga er maar aan staan. Volgend jaar drie miljard bezuinigen. In 1994 zes miljard. Onzinnig. Het leidt tot een geweldige werkloosheid. Je tast veel overheidstaken aan waar we nu juist iets extra's voor willen gaan doen, bij voorbeeld bestrijding van fraude en verbetering van de infrastructuur. Je draait jezelf in een vicieuze cirkel.

“We moeten dus nu niet gaan bezuinigen om de tegenvallende belastinginkomsten op te vangen. Maar zo praat ik als econoom, niet als politicus. Misschien neemt mijn partij wel een ander standpunt in, en daar heb ik me dan in te schikken.”

    • Cees Banning
    • Michel Kerres