Vietnam

Gore Vidal heeft altijd wel een beetje gelijk. In het laatste nummer van het tijdschrift GQ (wat staat voor "Gentlemen's Quarterly for the Modern Man') zegt hij dat de komende presidentsverkiezing in Amerika gebaseerd is op godsdienst. De democraten Clinton en Gore maken een goede kans om te winnen, omdat ze als ware zuiderlingen de godvrezende dwazen waar Amerika uit bestaat niet afschrikken. Alleen gelovige mensen worden vertrouwd in een land waar maar negen procent van de bevolking het scheppingsverhaal afwijst, zegt Vidal.

Clintons beleid zal niet erg verschillen van dat van Bush, omdat aan de echte problemen van het land nu eenmaal niets gedaan kunnen worden: de grote ondernemingen kan men niet zwaarder belasten, omdat ze internationaal opereren en daardoor oncontroleerbaar zijn. Het Pentagon is niet te dwarsbomen, omdat de Amerikaanse economie nog altijd voor een belangrijk deel een oorlogseconomie is. En de staatsschuld van vier biljoen, daar kan niemand iets aan doen.

Toch is Gore Vidal optimistisch. Hij heeft zijn hoop gevestigd op Clintons "principeloosheid'. Hoe meer Bush er in zijn campagne op wijst dat Clinton een man is die iedereen tegemoet probeert te komen - zijn gebrek aan karakter en leiderschap, zoals Bush het noemt - des te hoopvoller Vidal wordt. Amerika heeft geen kruisvaarder meer nodig, geen "leader of the free world' en ook geen "leader of the party of God'. Het land is gebaat bij een pragmatische leiding, die ingrijpt op terreinen die economisch gezien marginaal lijken, maar waar het leed het sterkst voelbaar is: de gezondheidszorg, de binnenstedelijke armoede, het onderwijs, het milieu.

Als beroeps-agnosticus geniet Gore Vidal van de Amerikaanse godsdienstigheid: Amerikanen hebben net zulke hysterische geloofsovertuigingen als moslims, hindoes en boeddhisten, suggereert hij. Maar is dat waar? Ik heb niet het gevoel dat Amerikanen bereid zijn hun religie te gebruiken als motief voor bloedige veldslagen en oorlogen. Religieuze tolerantie is een van de belangrijkste verworvenheden van de Amerikaanse revolutie; als men oorlogen moet voeren, verzint men wel andere redenen.

Ook is de Amerikaanse religiositeit niet gevestigd in raadselachtige emoties als schuld en boete. Daar zijn Amerikanen net iets te vrolijk en te lichtzinnig voor, gelukkig. De Christelijkheid van Amerika is angstaanjagend, omdat die is teruggebracht tot een ander principe: de heiligheid van het gezin. Gore Vidal heeft gelijk als hij beweert dat Amerika eigenlijk maar één politieke partij heeft, met een linker en een rechter vleugel. Er is een soort gigantisch CDA, maar de grondslag wordt niet gevormd door religie in het algemeen, maar door de gehechtheid aan het kerngezin. De dominante, hard-werkende vader, de gedienstige, liefhebbende en opofferingsgezinde moeder, de twee afhankelijke, met jelly-donuts volgepropte kindertjes. De fundamentele eenheid is niet het individu en ook niet de groep, maar de familie, die op zulke griezelige manieren wordt aanbeden, dat je er spijt van krijgt als je zelf toevallig ook een vaste partner en twee nakomelingen hebt. Als je president van Amerika wil worden, moet je in de allereerste plaats tonen dat je in staat bent een eigen gezin te vormen, te leiden en bij elkaar te houden. Het gezin is een metafoor van deugdzaamheid, trouw, liefde, verantwoordelijkheid en zelfs patriottisme en gemeenschapszin. Wie de gemeenschap lief heeft, bewijst dat door zijn eigen familie lief te hebben.

Op dit gebied heeft Bush een voorsprong op Clinton: Barbara is de belichaming van de normaliteit, ze is zo geliefd omdat ze zo gewoon is als alleen een moeder kan zijn. Terwijl Hillary Clinton overkomt als een ambitieus carrièrevrouwtje dat er genoegen in schept drie keer zoveel te verdienen als haar man. Toch probeert Clinton zo dicht mogelijk in het centrum van de Amerikaanse politiek te kruipen. Hij voert zijn campagne uitdrukkelijk samen met zijn vrouw, ze vormen een modern en gelijkwaardig paar. Maar als Bill Clinton weer eens een verkeerd dasje om heeft, krijgt Hillary de schuld.

Barbara Bush maakt zulke fouten niet. In het milieu waarin zij opgroeide was je al wild en ondeugend als je na school de handschoenen uittrok. De kleren die Barbara voor haar echtgenoot kiest zijn dan ook zo functioneel als een hondehok, schreef People Weekly, en zijn schoenen zijn zo blokkig als een stalinistisch kantoorpand. Op alles wordt gelet tijdens de presidentsverkiezingen, en nooit mogen de kiezers de indruk krijgen dat het maatkostuum van een kandidaat onderweg van fabriek naar drager een tussenstop heeft gemaakt in een Italiaans atelier.

Het bontst maakt Ross Perot het. In de laatste dagen van zijn campagne heeft hij nog eens voor vijftig miljoen dollar aan televisiezendtijd gekocht, om zijn kinderen te laten vertellen wat een aardige pa hij is. Gehuld in het zachte licht van David Hamilton-spots vertellen ze hoe goed vader Ross voor hen zorgde, en hoe hij erop stond dat zij hun zakgeld zelf verdienden. Terloops krijgt men het beeld voorgeschoteld van een miljardair die nooit zijn brave middenklasse-maniertjes verloren heeft.

Hoe walgelijk gelukkig Ross Perot en zijn gezin ook zijn, kans op het presidentschap maakt hij niet. En zelfs Bush heeft problemen. Daar staat een man de verkiezingen te verliezen die eigenhandig de twee grootste vijanden van het Westen heeft verslagen: het communisme en de Islam. Maar zijn probleem is de "timing', zoals hij zelf zegt. De Golfoorlog is te lang geleden en ook de muur van Berlijn viel te vroeg.

Op televisie is Bush de laatste tijd een zichtbare verliezer, maar Clinton komt ook niet over als een winnaar. En dat komt misschien omdat hij eigenlijk niet weet wat er te winnen valt.

De fout is niet zozeer Clintons principeloosheid, want dat is, zoals Gore Vidal zegt, een deugd. Clintons grootste moeilijkheid is zijn tweede man: Al Gore. Gore is een gladde jongen met een knappe kop en een mooi lichaam. Wat Clinton is in zijn duurste pak, is Gore al in zijn ondergoed, schrijven modespecialisten. Een paar dagen geleden nam Al Gore deel aan een verkiezingsprogramma van MTV, waar hij tussen de swingende jingles door mocht discussiëren met jonge popliefhebbers. En het waren deze jongeren die Gore de vraag stelden waar hij zijn jasje voor moest uittrekken: waarom hij indertijd deelnam aan de Vietnamoorlog en nu samenwerkt met iemand die er een uitgesproken tegenstander van was.

Als de Amerikaanse verkiezingen ergens over gaan, dan is het dit onverwerkte verleden: de generatiestrijd tussen mannen als Bush, die menen dat je fout bent als je vroeger tegen was, en mannen als Clinton, die vonden dat je beschaafdheid kon worden gemeten aan je verzet tegen de bombardementen op Hanoi.

Vietnam symboliseert de opstand van de zonen tegen de vaders, de opstand tegen het imperiale idee dat Amerika overal in de wereld rechten heeft. De jongeren die zich tegen die oorlog hebben verzet vroegen om bescheidenheid, en om eerbied voor de wensen van vreemdelingen - en dat was een volstrekt nieuw fenomeen in de Amerikaanse politiek.

De generatie waartoe Bush behoort is het gezichtsverlies dat zij in Vietnam opliep nooit te boven gekomen. En men zal ook de kans op herstel niet meer krijgen als Clinton de verkiezingen wint. Want Clinton kan de geschiedenis herschrijven, door te stellen dat je fout was in de Vietnamoorlog, als je er vroeger voor was.

Maar ik betwijfel of Clinton ooit zover komt en of hij echt bereid is het geweten van Amerika te zuiveren. Want hij sleept Al Gore met zich mee, die badend in het zweet op MTV zei: ""Let's forget about it''. De oorlog die het land en de democratische partij door midden scheurde, die een onoverbrugbare generatiekloof zichtbaar maakte, en die ook in meer fysieke zin talloze vrome gezinnen uit elkaar deed spatten - men moet die tijd zomaar vergeten. ""Vote from the heart'', voegde Gore er nog aan toe, waarmee hij duidelijk maakte dat er geen rationele gronden zijn om te kiezen tussen Bush/ Quayle en Clinton/ Gore, maar daar had Vidal al op gewezen.

Gore is trouwens het soort splijtzwam dat zelf ook gespleten is: hij is een milieuactivist, en net als het verzet tegen de Vietnamoorlog is de bezorgdheid om het milieu een pleidooi voor bescheidenheid en eerbied voor het vreemde - in dit geval voor de vreemde natuur.

Daarom denk ik dat Clinton niet weet wat er te winnen is in deze verkiezingen: als hij de Amerikaanse geschiedenis wil herschrijven - een andere reden om president te willen worden is nauwelijks denkbaar - moet hij afstand nemen van mensen als Al Gore, die de geschiedenis alleen maar willen vergeten.