Veel gegevens in bestanden erg aan bederf onderhevig

AMSTERDAM, 31 OKT. “Een groot Nederlands verzekeringsbedrijf dat zich ten doel had gesteld een gegevensverzameling van zijn polishouders bij de tijd te houden, heeft gevonden dat - alle eerlijke en kostbare pogingen ten spijt - circa zeven procent van de adressen achterhaald was. Deze constatering gold onafhankelijk van het tijdstip van onderzoek.” Dit voorbeeld gaven de Delftse hoogleraar informatica dr. I.S. Herschberg en zijn toenmalige assistent (thans ook hoogleraar) ir. R. Paans zes jaar geleden in een vakblad ter illustratie van hun stelling: “Gegevens bederven”.

Het kan dus niet werkelijk verwondering wekken dat het Amsterdamse bevolkingsregister - ook al is dat tegenwoordig geautomatiseerd - niet opgewassen bleek te zijn tegen de vliegramp in de Bijlmer. Bij het natrekken van mogelijke slachtoffers bleek volgens burgemeester Van Thijn circa tien procent van de informatie niet te kloppen. Hij gaf direct opdracht de betrouwbaarheid van het systeem te verbeteren. Dit streven valt mooi samen met een reeds in gang gezet project het geautomatiseerde gemeentelijke bevolkingssysteem (GBS) te doen uitgroeien tot een “Algemene Basisregistratie Personen” voor de gemeente Amsterdam. Grootgebruikers als de sociale dienst, herhuisvesting en de afdeling huursubidies moeten aankunnen op de bevolkingsboekhouding. Om maar eens iets te noemen: de gegevens van een aanvraagformulier huursubsidie worden vergeleken met de gegevens van het bevolkingsregister. Daaruit kan naar voren komen dat er op het betroken adres meerdere personen staan ingeschreven - hetgeen kan wijzen op de aanwezigheid van meerdere inkomens zodat de aanspraak op huursubisie lager moet uitvallen.

De informatici hebben een laconieke verklaring voor het gebrek aan betrouwbaarheid, “gigo'. Dit staat voor garbage in, garbage out: een systeen is niet beter dan wat er in wordt gestopt. Geboorte, dood en verhuizing zijn volgens Herschberg en Paans de grote vervuilers, goed voor een “verval” van 20 procent per jaar. Vooral verhuizing en grotendeels een kwestie van slordigheid - “bij wijze van spreken: natuurlijke oorzaken”. De conclusie van de Delftse informatici was dat vervuiling onvermijdelijk is en dat tegenmaatregelen in het ideale geval juist voldoende zijn om een gedeelte van de vervuiling te weren, maar nooit in staat haar geheel buiten te sluiten.

Dit verschijnsel is ook in het buitenland gedocumenteerd. Amerikaans onderzoek bij de marine leerde dat 83 procent van de dossiers over officieren en 79 procent van de dossiers van lagere rangen een of meer fouten bevatten. In gecomputeriseerde systemen van de Amerikaanse politie in drie deelstaten bleek 90 procent van de bestanden onvolledig, 82 procent inaccuraat en 50 procent voor verschillende uitleg vatbaar; een vergelijkbare proef bij de FBI leverde nog altijd 74 procent van dezelfde euvels op.

“Een gebrek aan definitie, een zekere onscherpte, is inherent aan elke grote gegevensverzameling”, betoogden Herschberg en Paans. Dat geldt helemaal in de verhouding tussen basisregistratie en grootgebruikers. Ogenschijnlijk dezelfde gegevens kunnen een verschillende inhoud hebben. De sociale dienst verstaat bijvoorbeeld onder adres de feitelijke verblijfplaats terwijl het bevolkingsregister het adres hanteert waar iemand staat ingeschreven. In het voorbeeld van de huursubsidie kan dat net het beslissende verschil maken.

Dit ontgaat ook de burger niet, die een verscheidenheid van redenen heeft het niet zo nauw te nemen met de bevolkingsboekhouding. De voordeurdelersregeling maakt het aantrekkelijk voor een bijstandstrekker zichzelf of de huisgenoot elders ingeschreven te hebben. De tweeverdienersregeling maakt dat samenwonenden formeel de voorkeur geven aan een administratieve LAT-relatie. En dan is er het spreekwoordelijke neefje uit Alkmaar dat zich alvast bij zijn Amsterdamse tante inschrijft om straks wat hoger op de lijst te staan voor een woonvergunning. Dit nog allemaal los van echte illegalen die natuurlijk helemaal de instanties mijden.

In Amsterdam is na de Bijlmerramp een bijzondere inhaalslag uitgevoerd. Er werd een rechercheteam gezet op het natrekken van slachtoffergegevens. Interessanter voor het probleem van massale gegevensvervuiling was het toepassen van intensieve gegevensvergelijking met de meest uiteenlopende bestanden: huisartsen, postorderbedrijven, sportverenigingen en bank- en girocentrales. Minder de aandacht kreeg dat dit een formidabele aanslag op het grondwettelijk gegarandeerde recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer vormde. Wezenlijk voor de privacy is immers dat iemand de informatie over zichzelf kan doseren naar gelang de situatie waarin men zich bevindt. Neem sportbeoefening - een algemeen aanvaarde, ja toegejuichte bezigheid. Toch zal je maar bij een sollicitatie een beoogde werkgever tegenkomen die bevreesd is voor het risico van blessures. Of een kredietgever. Of een verzekeraar.

Het ging in het geval van de Bijlmer natuurlijk om een uitzonderlijke calamiteit, maar de methode leent zich voor ruimere toepassing. Het matchen van uiteenlopende gegevensbestanden, ook wel bekend als koppeling, vormt een prominent onderdeel van de politieke discussie over fraudebestrijding, of het nu om illegalen gaat of steunfrauders. Jaren geleden vroeg de toenmalige directeur van het gemeentelijk rekencentrum te Amsterdam zich trouwens al hardop af of hij het bevolkingsregister niet beter kon afchecken bij het gas- en elektrabedrijf. Mensen hebben allerlei redenen om het bevolkingsregister te mijden maar licht en warmte heeft iedereen nodig.

De huidige minister van justitie Hirsch Ballin ziet het privacybelang voornamelijk als “een alibi”. Hij vindt dat overheidsinstanties vrij zijn gegevens uit te wisselen, en bepleit overigens ook een “beperkte” identificatieplicht die meebrengt dat iedereen zich desgevraagd op zijn werkplek moet legitimeren - naar valt aan te nemen inclusief het groeiende legioen van thuiswerkers. Hoe valt dat nog te rijmen met het grondwettelijk gegarandeerde lampje dat zijn voorganger wilde laten branden?