Uitverkoop industrie?

Met horten en stoten is Fokker voor een belangrijk deel in Duitse handen gekomen. De zelfscheppende personenauto-industrie is al onder Zweeds-Japanse vleugels en het wachten is op een buitenlandse partner voor de vrachtwagen- en de staalindustrie. Zijn dit nu de geneugten van het Europa zonder grenzen?

Een Europeaan met een beetje Maastrichts bloed in de aderen zal deze vraag betitelen als suggestief. Een voorbeeld van misplaatst sentiment. Nederland profiteert immers als poort van Europa als geen ander van het slechten der grenzen?

In de discussie over de toekomst van de Nederlandse industrie dreigen twee kampen te ontstaan: "Europeanen' en "nationalisten'. Wie treurt om het in buitenlandse handen komen van de vaandeldragers van de Nederlandse industrie, beschuldigt het andere kamp van Euro-optimisme. Nederland houdt uitverkoop van de industrie door een terugtrekkende overheid en afwachtende geldschieters, terwijl Fransen en Duitsers er niet over peinzen hun crème de la crème van de industrie in de aanbieding te doen.

"Europeanen' zullen het falende Nederlandse industriebeleid in herinnering roepen. Denk aan het geld dat de overheid spendeerde aan de kolengravers van RSV. Zij concuderen dat Nederland maar één weg openstaat: laissez faire in Europa.

Voor beide standpunten is veel te zeggen. Toch ontbreken in de benadering van de Nederlandse fusie- en overnemingspraktijk soms enkele opvallende ervaringsgegevens. Accountants- en advieskantoor KPMG heeft vier jaar lang wereldwijd grensoverschrijdende fusies en overnemingen in kaart gebracht. Van uitverkoop blijkt geen sprake te zijn. Nederland kocht met 12,5 miljard dollar in de afgelopen vier jaar voor 700 miljoen dollar meer aan dan er Nederlandse bedrijven werd verkocht.

Door nationalisme ingegeven juichkreten over Nederland als netto-koper zijn overigens voorbarig. Een overgenomen partij is lang niet altijd verliezer. Uit de praktijk blijkt bijvoorbeeld dat een een overneming leidt tot kapitaaltoevoer naar de nieuw verworven dochter. Natuurlijk gaat er op den duur ook in de vorm van dividenden geld terug van de dochter naar de moeder, maar dat staat meestal in geen verhouding. De reden van een overneming is vaak niet het dividend, maar de waardegroei van het overgenomen bedrijf zelf en dat kan per saldo gunstig uitpakken voor de overgenomen partij.

Een voorbeeld in Nederland was bouwconcern Ballast Nedam, dat in de jaren tachtig door British Aerospace is gekocht. De Britten versterkten het vermogen. Pas de laatste jaren krijgen de Britten wat dividend, maar dat staat niet in verhouding tot de investeringen.

Uit de fusiepraktijk blijkt ook dat de fusie- en overnamegolf maar weinig te maken heeft met de eenwording van Europa. In het voorbeeld van Ballast Nedam was dat bijvoorbeeld niet het geval. British Aerospace wilde geen voet in continentaal Europa, maar een bouwondernemer in het Midden-Oosten.

Uit de onderzoeken blijkt dat niet Europese maar vooral Amerikaanse bedrijven doelwit zijn van de Nederlandse expansiedrang. Terwijl Den Haag debatteert over Europese grenzen, lijkt voor het Nederlandse bedrijfsleven de wereld al één markt te zijn.

De voorvechters voor het behoud van Nederlandse industriële kroonjuwelen, zoals Fokker, Nedcar en DAF, wijzen op het gevaar van een eenzijdige bedrijvigheid. Als Nederland niet oppast, houdt het bij wijze van spreken alleen banken en verzekeraars over, zo luidt dan het argument. Op zich waren de Nederlandse banken en verzekeraars de grote acquisiteurs in het buitenland van de afgelopen jaren. Maar ook de chemie-industrie en de uitgevers kochten voor grote bedragen. Dat door aankopen een vlak Nederlands industrielandschap ontstaat, is dus niet geheel juist.

Ook de Nederlandse bedrijven die onder buitenlandse heerschappij kwamen, waren afkomstig uit de meest uiteenlopende bedrijfstakken. Philips verkocht Whirlpool en Hollandse Signaal. Nummer twee is echter de voedingsmiddelenindustrie (bijvoorbeeld Douwe Egberts werd vervreemd), waar Nederland juist sterk in is. Nummer drie is helemaal een vreemde eend: de horeca-hotellerie. Dat laatse komt vooral doordat oprichter Derksen zijn geesteskind Center Parcs verkocht aan het Britse Scottish Newcastle. Datzelfde Nederlandse Center Parcs neemt nu een groot deel van de winst en omzet van de Britse moeder voor zijn rekening, speelt daarom ook een zeer belangrijke rol in het concern en verovert op zijn beurt weer Groot-Brittannië met vakantiebungalows.

Wanneer Fokker straks de resultaten van Dasa oppept en met z'n kisten de Duitse markt verovert, kan Fokker later alsnog als winnaar worden uitgeroepen. Fokker is verliezer als de kennis uit Amsterdam het onderspit delft tegen de Duitsers. In dat geval is de Nederlandse belastingbetaler de lachende derde: de sanering wordt dan betaald met Duitse marken.