Toeslaan en wegwezen; de leerzame strijd der Joegosalvische partizanen (1941-1945)

Voor- en tegenstanders van militair ingrijpen in het voormalige Joegoslavië verwijzen regelmatig naar de ervaringen die de Duitse en Italiaanse troepen tijdens de Tweede Wereldoorlog opdeden in hun strijd tegen de Joegoslavische partizanen. Tegenstanders van gewapende interventie wijzen erop dat de superieur geachte Duitse en Italiaanse legers al snel verstrikt raakten in een langdurige guerrilla-oorlog tegen een ongrijpbare vijand. Voorstanders zijn van mening dat een ingrijpen op de Balkan nu onder geheel andere omstandigheden zou geschieden dan in de jaren '41-'45: aanzienlijk beter materiaal, een getalsmatig minder sterke tegenstander en een veel gunstiger internationaal politiek kader. Een historische analyse die materiaal zou kunnen verschaffen voor het huidige interventiedebat.

Op 6 april 1941 begon met de operatie Marita de Duitse aanval op Joegoslavië en Griekenland. De operatie paste slecht in Hitlers plannen. Zijn prioriteit was immers Barbarossa, de veldtocht tegen de Sovjet-Unie, die nu tot 22 juni moest worden uitgesteld.

In minder dan twee weken werd het verspreide Joegoslavische leger op de knieën gedwongen door de veel modernere Duitse strijdkrachten, bijgestaan door troepen van de bondgenoten Italië, Bulgarije en Hongarije. Het Joegoslavische koninkrijk werd opgedeeld: Italië kreeg het Dalmatische kustgebied; Slovenië werd verdeeld en rechtstreeks ingelijfd bij respectievelijk Italië en Duitsland; Kroatië werd een quasi-onafhankelijke staat met een katholiek-fascistisch Ustasa-regime; Montenegro werd een Italiaanse vazalstaat; Servië verloor grote gebieden aan Kroatië, Albanië en Bulgarije en kwam onder de collaborateursregering van generaal Milan Nedic.

De snelle nederlaag en verdeling maakten elke directe reactie van de bevolking onmogelijk. De eerste tekenen van onrust kwamen in de zomerweken, in de vorm van aanvallen op politieposten en op zichzelf staande sabotage-acties. Het eerste georganiseerde verzet stond onder leiding Draza Mihailovic, een voormalig stafofficier. Wat omvang en militaire slagkracht betreft werd zijn burgerlijk-royalistische, door Serviërs gedomineerde cetnik-organisatie al snel overvleugeld door Tito's partizanenleger.

De Geallieerden probeerden beide verzetsgroeperingen tot samenwerking te brengen. Mihailovic en Tito stonden echter geheel uiteenlopende doelstellingen en strategieën voor, die al snel leidden tot een scherpe breuk en zelfs tot een openlijke burgeroorlog. Mihailovic meende dat Tito's massale, nationale verzet slechts grootschalige terreur zou uitlokken door de genadeloze en schier onaantastbare bezetter. De cetnik-leider prefereerde een afwachtende houding.

Tito wees de lokale opzet van de cetnik-organisatie af. Hij meende dat alleen een nationale bevrijdingsoorlog onder zijn leiding uiteindelijk de overwinning en, in haar kielzog, de socialistische maatschappij zou brengen. Steeds vaker vochten cetnik-eenheden aan de zijde van de bezetter tegen Tito's partizanen. Na het voorjaar van 1943 speelden de verdeelde en gedemoraliseerde cetniks geen militaire rol van betekenis meer in het verzet.

Alleenheersers

In de weken na de Joegoslavische capitulatie vertrok het gros der Duitse divisies uit Joegoslavië om te worden ingezet bij operatie Barbarossa. Het Oberkommando-Südost zag het kleine aantal beschikbare eenheden, ongeveer 50.000 gevechtstroepen, niet als een onoverkomelijk probleem. Het meende de strategische doelstellingen te kunnen realiseren door de belangrijkste wegen, spoorlijnen en economische centra veilig te stellen. De pacificatie van de rest van het gebied zou aan de bondgenoten en de (politie)troepen van de Kroatische en Servische marionettenregeringen worden opgedragen. Veel vertrouwen in die collaborateursregimes hadden de bezetters overigens niet: in de praktijk waren de lokale Duitse en Italiaanse bevelhebbers alleenheersers in hun eigen zones.

Een grote Duits-Italiaanse strafexpeditie in de herfst van 1941 verdreef Tito en zijn staf en de resterende partizanendetachementen uit westelijk Bosnië en Servië. Het verzet wankelde maar een fatale klap kon met de beschikbare divisies niet worden toegebracht. In de wintermaanden herstelde Tito's Nationale Bevrijdingsbeweging zich en in het volgende voorjaar bleek hoezeer de bezetters zich hadden verkeken op de veerkracht van hun tegenstanders. Steeds vaker werden de hoofdwegen en spoorlijnen onderbroken door aanslagen van de partizanen. Bij de Duitse legerleiding drong het besef door dat de partizanendreiging zo spoedig mogelijk volledig moest worden geëlimineerd - alleen op die manier kon de veiligheid van de verbindingslijnen blijvend worden gegarandeerd. Dit betekende dat, gezien de spreiding en mobiliteit van de partizaneneenheden, het hele land alsnog onder permanente militaire controle moest worden gebracht. Met enkele grote offensieven wilde het Duitse opperbevel de gevechtskracht van het verzet breken.

Voor hun offensieven tegen de partizanen brachten de bezetters een strijdmacht bijeen met een vijfvoudig numeriek overwicht, zo'n 300.000 militairen. De kern werd gevormd door tien divisies van de Wehrmacht en SS, waarbij ook een aantal lokale eenheden en Ostlegionen (vooral overgelopen Russen) werden ingedeeld. Aan hun zijde vochten Italiaanse en Bulgaarse troepen en territoriale hulptroepen, waaronder contingenten cetniks, Ustasi en onderdelen van het nieuwe Kroatische leger, de Domobran.

In de periode tussen april 1942 en de zomer van 1944 behaalde deze gecombineerde troepenmacht een groot aantal tactische successen. Toch leden de partizanen niet de verwachte definitieve nederlaag. Van een succesvolle pacificatie van geheel Joegoslavië kon al helemaal niet worden gesproken: de partizanen creëerden zelfs "vrije gebieden', van waaruit ze de strijd konden coördineren. De bezetters werden meer en meer gedwongen hun verdediging opnieuw te concentreren nabij de belangrijke wegen, spoorlijnen en economische centra.

Ongrijpbaarheid

Waarom slaagden de Duitsers en Italianen er niet in met hun getalsmatige en kwalititieve overmacht de partizanendreiging te liquideren? De oorzaken hangen gedeeltelijk samen met de strategie van de partizanen, gedeeltelijk met de wijze waarop de bezetters het partizanenvraagstuk probeerden op te lossen.

Kernprobleem voor de Duitsers en Italianen bleef de ongrijpbaarheid van de partizanen, die konden terugvallen op de eeuwenoude verzetstraditie van de Zuidslavische volkeren tegen hun overheersers. Om te beginnen lieten de partizanen zich bewust niet verleiden tot één beslissende slag of tot een statische frontenoorlog. In een instructie aan zijn partizanen-eenheden vatte Tito de guerrillastrategie samen: ""We moeten ons geen onbeweeglijke fronten laten opdringen (...) Onze acties moeten doordrenkt zijn van een offensieve geest die z'n weerslag vindt in een krachtige, gewaagde partizanentactiek tijdens vijandelijke offensieven, de tactiek van doorbraken naar het vijandelijke achterland en de vernietiging van slecht bewaakte verbindingen en voorraden.''

Het partizanenleger, medio 1943 zo'n 70.000 man sterk, was georganiseerd in gedisciplineerde kleinere en mobiele eenheden met strakke hiërarchische lijnen. De kaders waren gehard in de vooroorlogse ondergrondse strijd van de communistische partij tegen het rechtse Joegoslavische bewind. Het opperbevel lag bij Tito en zijn generale staf, die in direct contact stond met de regionale commandanten. Territoriale vacuüms werden zo snel mogelijk opgevuld. Via aanvallen op verbindingslijnen, transportmiddelen en afzonderlijke posten en garnizoenen in het hele land kon het militaire initiatief worden genomen en werden de krachten van de vijand verdeeld en uitgeput. De Duitse soldaat kwam al snel tot de ontdekking dat hij de "verdreven en verslagen' partizaan enkele dagen later, als een soort Stehaufmännchen, weer tegenover zich kon vinden. Voor de partizanen sorteerde zelfs een klein tactisch succes een groot psychologisch effect in de eigen rangen en bij de bevolking.

De partizanen maakten noodzakelijkerwijs voornamelijk gebruik van lichte wapens, mijnen en springstoffen. Aanvankelijk meenden de Duitsers dat de voorraden van de partizanen snel uitgeput zouden raken. In werkelijkheid nam het arsenaal van de verzetsstrijders in omvang toe. Allereerst vergaten de Duitsers, in hun haast operatie Barbarossa te beginnen, het verslagen Joegoslavische leger direct grondig te ontwapenen. Complete eenheden kregen de kans te ontsnappen naar de bergen of hun wapens te verbergen.

Daarnaast leverden overvallen op politieposten en garnizoenen vaak een rijke oorlogsbuit op.

In september 1943 tekenden de Italianen hun wapenstilstand met de Geallieerden. In een ware wedloop met de Duitsers wisten de partizanen verschillende verlaten Italiaanse opslagplaatsen als eersten te bereiken en leeg te halen. Verder fabriceerden Tito's troepen een deel van hun wapens zelf. In juni 1941 bijvoorbeeld viel de wapenfabriek bij Uzice in handen van de partizanen. Binnen twee maanden werden daar 21.000 geweren en 2,7 miljoen geweerpatronen geproduceerd. En tenslotte leverden de Geallieerden vooral tijdens de laatste twee jaren van de oorlog voorraden aan over zee en door de lucht. Door de lange kustlijn en het bergachtige gebied was het voor de Duitsers nauwelijks mogelijk deze aanvoer van wapens te onderscheppen.

Vast patroon

Een belangrijk element van de partizanenstrategie was de wijze waarop het terrein werd uitgebuit. Vooral de bergachtige en beboste streken van Servië, Bosnië, Herzegovina, Macedonië en Montenegro leenden zich uitstekend voor guerrilla-oorlogvoering.

Aanvallen op konvooien verliepen volgens een vast patroon: ze hadden gewoonlijk buiten bewoond gebied plaats, bij voorkeur op wegen met rotsen of berghellingen aan beide zijden. Met mijnen werd het voorste pantservoertuig of de voorste tank uitgeschakeld, het opblazen van de zojuist gepasseerde brug voorkwam de terugtocht. Na een snelle actie trokken de aanvallers met meeneming van hun buit en onder bescherming van de duisternis weer de bergen in. Met de mogelijkheden die het terrein bood konden de partizanen het Duits-Italiaanse overwicht aan zware wapens gedeeltelijk compenseren. Tito realiseerde zich al te goed dat zijn partizanenleger slechts kon blijven bestaan zolang de lokale bevolking - al of niet onder dwang - voedsel, materiaal, geld, onderdak en inlichtingen bleef leveren. Grote zorg werd daarom besteed aan het uitschakelen van lokale collaborateurs, aan propaganda en aan maatregelen die de steun van de bevolking verder konden vergroten, zoals de zorg voor onderwijs en zieken. Ook de uiterlijke verzorging en zelfdiscipline golden als middelen om de bevolking te winnen voor de partizanenstrijd. Zo stond op plundering en roof de doodstraf.

Een groot voordeel voor de partizanen was uiteraard dat ze ter plaatse rekruten konden werven, die reeds na een korte en intensieve training inzetbaar waren. De Duitsers zagen zich gesteld tegenover een echt volksleger, veel taaier en flexibeler dan een regulier leger, waarvan de soldaten zoveel moeilijker zijn te vervangen.

De Duitsers hanteerden bij voorkeur de strategie van de Vernichtung durch Einschliessung: het met een overmacht aan troepen en materiaal omsingelen en uitkammen van een gebied waar sterke partizaneneenheden werden vermoed. Deze strategie slaagde niet. Om te beginnen beschikten de Duitsers en hun bondgenoten wel over een numeriek overwicht, maar niet voldoende voor het toebrengen van een beslissende slag. Aan de kwaliteit van mankracht, materieel en logistiek en aan de mobiliteit schortte het bovendien nogal eens - voor het opperbevel lag de prioriteit immers bij het Russische front, dat steeds meer divisies opslokte. Het moreel was overwegend laag en de verliescijfers door zelfmoord, uitputting en ziektes als malaria en tyfus hoog. Alternatieven, zoals de inzet van Domobran, Ustasa en individuele plaatselijke Kampfwillige, hadden niet het gewenste resultaat. Generaal Bader, de Militärbefehlshaber Südost, gaf reeds in februari 1942 het dilemma voor de bezetter weer: ""Het is eenvoudigweg onmogelijk om met de beschikbare troepen in dit moeilijke terrein de vijand te omsingelen en te vernietigen. Hij trekt zich terug bij de komst van onze soldaten en keert na hun aftocht naar zijn oude stellingen en woonplaatsen terug.''

De Duitse bevelvoering was op hoger politiek en strategisch niveau vaak gebrekkig en verdeeld. Door het ontbreken van een gezamenlijk opperbevel verliep de coördinatie met vooral de Italianen slecht. Van de gevechtswaarde van deze bondgenoten hadden de Duitse commandanten al helemaal geen hoge dunk. Bovendien botsten de politieke wensen van de Wehrmacht nogal eens met die van de bondgenoten - de Italianen zagen bijvoorbeeld Kroatië als hun invloedssfeer - en met die van SS, Gestapo en Duitse civiele gezagdragers. De Duitse bevelhebbers lieten zich regelmatig verleiden om de kracht en geslepenheid van hun tegenstanders te onderschatten. Dat de Duitsers er pas eind 1944 toe overgingen de Partisanenverbände aan te duiden als reguliere eenheden (brigades, divisies, et cetera) spreekt in dit opzicht boekdelen.

Als gezegd slaagden de Duitsers en Italianen er niet in de steun, laat staan het vertrouwen van de bevolking te winnen. Politieke en propagandamaatregelen hadden eerder een averechts effect. De territoriale verdeling van Joegoslavië, economische exploitatie, Arbeitseinsatz en repressie (als represaille werden voor elk Duits slachtoffer 50 tot 200 mensen geëxecuteerd) vervreemdden de bevolking van hun overheersers en vergrootten de toeloop naar de partizanenrangen.

Nieuwe doelstelling

Dat het Joegoslavische grondgebied niet grondig kon worden gezuiverd van partizanen, was dus zowel het gevolg van de doelmatigheid van de partizanenstrategie als van het onvermogen van de bezetter. De Duitsers zetten hun grootschalige offensieven toch voort. Daarnaast poogden ze effectievere anti-partizanentactieken te ontwikkelen om althans de twee belangrijkste van de oorspronkelijke doelstellingen te realiseren: het openhouden van de voor het gehele zuidoostelijke front zo vitale verbindingswegen, en het veiligstellen van de economische centra - nu extra belangrijk voor de voortzetting van de strijd op alle fronten.

Daar kwam, na de nederlagen in Noord-Afrika en de Geallieerde landingen in Italië in de zomer van 1943, een nieuwe doelstelling bij: het afweren van de, zeer waarschijnlijk geachte, Geallieerde aanval op de Adriatische kust. Dat vereiste op zijn beurt beheersing van de, nu door de Italianen verlaten, kustgebieden en het directe achterland. In de loop van 1943 gingen de Duitsers over tot de nieuwe offensieven en pasten hierin twee nieuwe anti-partizanentactieken toe. De ervaringen in Rusland en de Balkan hadden de Duitsers geleerd dat guerrilla-strijders het best konden worden bestreden met offensief opererende gespecialiseerde eenheden, die de partizanen op hun eigen terrein en met hun eigen tactieken moesten aanpakken.

Door de partizanen voortdurend op te jagen werd hun de belangrijkste bestaansvoorwaarde ontnomen - de beheersing van de gebieden die voor de bevoorrading onontbeerlijk waren. Jagdkommandos waren jonge troepen met gevechtservaring, getraind om langere tijd te overleven in het veld zonder bevoorrading. Vaak waren ze zelf vermomd als guerrillastrijders. Stuitten ze op partizaneneenheden, dan werden - in afwachting van versterkingen - zoveel mogelijk inlichtingen verzameld. Regelmatig werkten ze samen met Jagdstreifen, grotere verkenningseenheden uitgerust met terreinvoertuigen. Deze voerden daarnaast zelfstandig vrije verkenningsopdrachten uit in omvangrijker gebieden waar partizanenconcentraties werden vermoed. Ook de geoefende bergjagers en parachutisten bleken een geducht middel bij het opjagen van grotere partizanengroepen. Maar ook voor deze gespecialiseerde troepen gold dat ze in onvoldoende aantallen beschikbaar waren om een doorslaggevende rol te spelen.

Hoezeer de nadruk was komen te liggen op het defensief bleek wel uit het karakter van de tweede anti-partizanenmaatregel: het opzetten van een netwerk van Stützpunkte, zwaar versterkte posities bij potentiële doelen als bruggen, tunnels en langs stukken weg of spoorlijn die uit de lucht of door gemotoriseerde patrouilles moeilijk waren te controleren. Om een niet al te aantrekkelijk doelwit voor partizanenaanvallen te vormen moest elk Stützpunkt door ten minste één zwaar bewapend bataljon worden bemand. De verdediging van 100 kilometer weg slokte al snel een complete divisie op, maar zoveel troepen waren eenvoudigweg niet beschikbaar.

Ook de nieuwe Duitse offensieven en anti-guerrillatactieken betekenden dus niet de doodsteek voor de partizanen. Anderzijds bezaten Tito's troepen evenmin de militaire middelen om de Duitse divisies zelfstandig van het Joegoslavische grondgebied te verdrijven. Weliswaar bonden ze vele Duitse eenheden die elders broodnodig waren, maar het waren in eerste plaats de nederlagen aan het Oostfront en in Italië die de Duitsers dwongen tot het ontruimen van de Balkan. Belgrado viel op 20 oktober 1944.

Opgejaagd

Na de oorlog werd in verslagen en memoires van voormalige Duitse bevelhebbers in Joegoslavië regelmatig de "licht aan het eind van de tunnel'-redenering aangetroffen: de inzet van enkele goede divisies méér zou de militaire balans definitief in het voordeel van de bezetters hebben doen doorslaan. Het feit dat vooral in de beginfase van grootschalige offensieven de gevechtsresultaten uit Duits oogpunt zeer bevredigend waren, lijkt dit argument te ondersteunen. Het terugwijken voor een vijandelijke overmacht was echter een integraal onderdeel van de partizanenstrategie. Tito's groepen werden opgejaagd en niet zozeer vernietigd.

Bovendien kon met relatief weinig mankracht grote schade worden toegebracht aan de voor de Duitse oorlogvoering steeds belangrijkere verbindingswegen. In de woorden van Basil Davidson, Brits verbindingsofficier bij Tito's hoofdkwartier: ""De vijand had onze diversanti (saboteurs), maar op één manier kunnen stoppen: door dag en nacht langs elke weg of spoorlijn soldaten te plaatsen, op tien passen van elkaar''.

En tenslotte zou de pacificatie van het bergachtige Joegoslavië, zeker zolang elke steun onder de bevolking ontbrak, een veelvoud van de beschikbare troepen voor bezettingstaken hebben gevergd. Vladimir Dedijer, één van Tito's naaste medewerkers, legde er de nadruk op dat de wèrkelijke strijd pas begon met de nederlaag van het reguliere koninklijke Joegoslavische leger. Zo telde de 22ste infanteriedivisie in de zomer van 1944 in zes weken ongeveer 200 afzonderlijke Feindberührungen, nog afgezien van de eigen offensieve acties.

Na de Tweede Wereldoorlog nam het leger van de nieuwe federale Volksrepubliek Joegoslavië veel van de strijdmethodes van de partizanen over. Met de breuk tussen Tito en Stalin in 1948 kreeg de afschrikking van een dreigende aanval door de Sovjet-Unie voorrang. Na Stalins dood in 1953 verminderde de Sovjet-dreiging en werd, meer in het algemeen, de handhaving van de gewapende neutraliteit de hoofdtaak van het Joegoslavische Volksleger. Elke agressor moest daarbij een eindeloze guerrilla-oorlog tegen de totale Joegoslavische bevolking in het vooruitzicht worden gesteld. Met dat doel werden in het gehele land verborgen wapenopslagplaatsen ingericht. De kaders van de communistische partij zouden leiding geven aan de strijd en voortdurend werd de nadruk gelegd op het doorslaggevende belang van moreel, volharding en offervaardigheid van het volk.

"Territoriale oorlog'

Het gros van Tito's manschappen was niet zozeer overtuigd communist geweest. Patriottisme, opportunisme of wraak vormden voor de meeste partizanen de belangrijkste drijfveer. Waar het ging om de militaire successen eiste de communistische partij na 1945 echter het alleenrecht op. Die aanspraak werd weerspiegeld in de officiële geschiedschrijving. In de Joegoslavische historiografie werd de partizanenstrijd vooral afgeschilderd als een grootschalige, planmatig uitgevoerde "territoriale oorlog', gestreden door min of meer reguliere eenheden onder centrale leiding van Tito en zijn communistische kaders.

Historici in het Westen hebben gewezen op externe factoren die, in meer of mindere mate, wel degelijk hebben bijgedragen aan de overwinning der partizanen: de beperkte kwantiteit en gebrekkige kwaliteit van de Duitse en Italiaanse troepen, de terreinomstandigheden en de Geallieerde wapenleveranties. Deze factoren deden echter afbreuk aan de leidende en inspirerende rol van Tito en zijn partij en werden dus in de officiële historiografie zoveel mogelijk genegeerd. Het bergachtige terrein zou zelfs overwegend in het nadeel van de partizanen hebben gewerkt, vooral omdat de eigen bevoorrading erdoor werd bemoeilijkt. Dergelijke interpretaties zouden, nu de politieke situatie op de Balkan zo scherp is gewijzigd, wel eens plaats kunnen maken voor een nieuwe historische visie op de Joegoslavische partizanenstrijd.

    • C.P.M. Klep